Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/38

Uit Wikisource
Er is een probleem opgetreden bij het proeflezen van deze pagina
11
DE BEKERPLANTEN.


Juist zoo als bij de Nepenthessen, vindt men ook bij de Sarraceniaas de inwendige oppervlakte der bekers in twee streken, eene doffe en eene glanzige, verdeeld, waarvan gene — de honig-afscheidende — de hoogste, deze de laagste plaats inneemt. Onderzoekt men deze streken mikroskopisch, dan blijkt, dat zij nergens werk


Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen.

Fig. 4. Grootst gedeelte van een beker van Sarracenia variolaris, ontleend aan curtis Botanical Magazine; (natuurl. grootte).

tuigen vertoonen, die met de vroeger beschreven kliertjes der Nepenthessen vergeleken kunnen worden, maar dat zij in tegenoverstelling daarvan haren dragen, die echter, voor beide streken, zoowel in aantal, vorm en grootte, als in groepering verschillen. Bij S. flava toch, die ik op dit punt naauwkeurig onderzocht, vond ik alle opperhuidscellen der doffe—hier slechts ongeveer een centim. breede — streek in haren veranderd, en dat wel in liggende haren, wier voet aanzienliijk gezwollen was en min of meer plotseling in den priemvormigen, naar beneden gekeerden top overging. Nog meer dan door hun bijzonder uiterlijk, trekken die haren de aandacht door hunne sierlijke teekening, daar zij toch, door de aanwezigheid van allerfijnste, dicht tegen elkander aan gedrongen en van onder naar boven recht doorloopende strepen, zich voordoen als overlangs geplooid. Aan de glanzige streek komen die als geplooide haren niet voor, maar ik trof aldaar, op groote afstanden van elkander, geheel andere aan, en wel dezulken, die, met hun dikwandigen, hoekigen voet tusschen de opperhuidscellen ingesloten, geheel het voorkomen hebben van naalden,