Naar inhoud springen

Pagina:Album der Natuur 1864.djvu/41

Uit Wikisource
Er is een probleem opgetreden bij het proeflezen van deze pagina
14
DE BEKERPLANTEN.

met de phyllodiën (dat zijn stengelorganen, die het uiterlijk van bladen hebben,) zou aan het vermoeden, dat de bekers der Sarraceniaas holle bladstelen vertegenwoordigen, wel eenige waarschijnlijkheid kunnen bijzetten.

De bloemen der Sarraceniaas zijn elk afzonderlijk (zie fig. 1, bl. 8) op een langen steel gezeten en worden, aan den top diens steels, door drie schutbladen ondersteund. Zij bestaan (zie fig. 5, vor. bl.) uit 5 gekleurde blijvende kelkbladen (k), 5 kroonbladen (b), wier gekromde toppen min of meer tot elkander neigen, en die aan hun voet uitgehold zijn (zie fig. 6), talrijke onder den stamper gezeten meeldraden, en één stamper. De laatste, afzonderlijk voorgesteld in fig. 7, heeft een wonderlijk


Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen.

Fig. 6. Bloemblad van Sarracenia flava, van binnen gezien, natuurl. grootte (ontleend aan schnitzlein's Tconographia).

uiterlijk, en dat wel ten gevolge van den schild- of regenschermachtigen vorm zijns stempels (s), die buitendien bladachtig van aard en nu eens groen, dan weder geel of rood gekleurd is, en daardoor, iets wat bij andere planten slechts zelden het geval is, tot de fraaiheid der bloemen aanmerkelijk bijdraagt. De steel (a), die zich als de drager van den eigenlijk gezegden stempel voordoet, vertegenwoordigt den stijl, en


Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen.

Fig. 7. Stamper van Sarracenia flava, natuurl. grootte (ontleend als voren); a stijl; d eijerstok; s stempelscherm.

is zelf weder ingeplant op een eirond ligchaampje (b), waarin men terstond den eijerstok herkent, en dat zich op eene dwarse doorsnede voordoet als in fig. 8 (volg. bl), dat wil zeggen, in 5 hokjes verdeeld is, die elk afzonderlijk talrijke eitjes herbergen. Eene bijzonderheid, die nog op den stempel (zie fig. 5 en 7 s) betrekking heeft, en die wij niet mogen verzwijgen, bestaat hierin, dat de plaatsen, die, wegens het afscheiden eener kleverige vloeistof, alleen geschikt zijn om het stuifmeel op te vangen en vast te houden, niet aan zijne boven-, maar aan