thans op het oog hebben, de eenige van haar geslacht, meer in 't bijzonder zou kunnen doen aanduiden als de "Moerasbeker met overhangende bloemen."
Even als de Sarraceniaas, is ook Heliamphora een stengelloos gewas, in dien zin namelijk, dat zijne bladen uit den grond schijnen voort te komen en tot eene rozet vereenigd zijn. Elk dier bladen heeft ook hier weder den vorm van een trechtervormigen beker (zie fig. 14) en kan in drie onderdeelen: een zaamgetrokken voet (c), een opgeblazen middenstuk (d), en een wijduitloopenden, aan ééne zijde geopenden mond (b) verdeeld worden. Aan den top van dezen laatsten is een klein, cirkelrond, napvormig aanhangsel (a) bevestigd, en dit vertegenwoordigt het deksel, hetwelk, zoowel bij Nepenthes als Sarracenia, veel grooter is en ook een geheel ander uiterlijk heeft. Overlangs loopende nerven en dwarse aderen verleenen ook aan de kruikjes van Heliamphora eene netvormig geteekende oppervlakte, en zoo ook wordt de verwantschap tusschen laatstgenoemden en de urnen der vroeger reeds behandelde geslachten al verder door den C naar buiten omgekrulden boord (e) en meer nog door den vleugel (c) aangeduid, die wij ook hier weder aan de binnenzijde der bekers aantreffen. Ten opzichte van dien vleugel valt echter op te merken, dat hij gespleten is en zoo doende als ware het 't midden houdt tusschen dien der SarraCeniaas, die altijd gaaf is, en der Nepenthessen, die twee in aantal, maar steeds
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 14. Beker van Heliamphora nutans, van voren gezien, ontleend aan bentham's Verhandeling in de Linnaean Transactions, Tom. XVII. (Natuurl. grootte) 1. c vleugel; d buikig gedeelte; b bekermond; e bekerzoom; a deksel.