op eenigen afstand van elkander verwijderd zijn. Bentham past, in zijne beschrijving, den naam van bladsteel op den beker, en dien van bladschijf op het dekseltje toe.
Is de uitwendige oppervlakte der Heliamphora-urnen onbehaard, niet alzoo de inwendige, die, althans op de hoogte van den 'bekermond, met tallooze naar beneden gerichte haren (sterk vergroot voorgesteld in fig. 15) bezet is. Genoemde haren zijn eenigszins gekromd, priemvormig en overlangs gestreept en komen dus overeen met die, welke wij voor het deksel der urnen van Sarracenia beschreven hebben. Het buikige of middengedeelte der Heliamphorabekers is, volgens bentham, inwendig onbehaard, doch met ontzaggelijk kleine kliertjes bezet, terwijl omgekeerd in den bekervoet op nieuws haren worden aangetroffen, maar veel kleinere en meer verspreide dan aan den mond, en dan nog wel haren, die uit een krans van meer verhevene opperhuidscellen voor den dag komen
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 15. Haren van den bekermond van H. nutans, veel vergroot (ontleend als voren )
(zie fig. 16). Bentham meent, dat laatstgenoemden het water afscheiden, 't welk ook bij Heliamphora steeds in de bekers wordt aangetroffen, en dat aan de klierties van het middengedeelte eene andere (niet nader aangegeven) verrichting is toevertrouwd. Den wensch, door den Engelschen kruidkundige geuit, dat toch vooral die Amerikaansche natuuronderzoekers, welke daartoe in de gelegenheid zijn, het zich tot taak mogten stellen om het leven der Heliamphorabekers grondig te bestuderen,
| Op deze plek in de tekst zou een afbeelding moeten verschijnen. |
Fig. 16. Haar uit den bekervoet van H. nutans, veel vergroot (ontleend als voren).
kunnen wij niet anders dan beamen; die wensch zou echter met evenveel recht ook op de geslachten Nepenthes, Sarracenit, Darlingtonia en Cephalotus kunnen worden toegepast.
Aan de binnenvlakte van het bekerdekseltje vond bentham geene haren hoegenaamd, iets, wat, met het oog op Sarracenia, vreemd mag heeten.