Naar inhoud springen

Pagina:Algemeen Handelsblad vol 100 no 32532 Ochtendblad WETENSCHAP.pdf/1

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen
WETENSCHAP.

ANTHROPOLOGISCH CONGRES.

Vergadering met de International Federation of Eugenie organisations.

Na de opening door den voorzitter major Leonard Darwin stelde deze aan de orde de besprekingen van de kruising van rassen en geeft het woord aan H. Nilsson Ehle voor een voordracht over:

Algemeen biologische beschouwingen over de kruising van rassen.

Wij weten, sinds een aantal jaren, aldus spr., dat de erfelijkheids-wetten voor planten, dieren en menschen dezelfde zijn. Daar echter de planten het beste materiaal vormen voor experiment en studie der erfelijkheidsverschijnselen is het het beste hiervan uit te gaan. Een van de vragen waarover juist in de laatste 20 jaren onze inzichten aanmerkelijk verdiept zijn is de beteekenis der kruising in de natuur. Wij weten dat nieuwe erfelijke kiemvereandringen („erbanlagen”) slechts zeer zelden optreden en dan niet naar tijd of plaats opeengehoopt maar meer sporadisch verspreid. Door kruising wordt het nu mogelijk de verschillende nieuwe „erbaulagen” te combineeren, wat tot het ontstaan van tal van meer of minder gunstige eigenschappen voert. Het voordeel der kruising is dus het ontstaan van tal van combinaties mogelijk te maken.
Dat er ook andere voordeelen zouden zijn, wordt door de groote meerderheid der biologen thans niet meer aangenomen.
De ontstane combinaties kan men uit een of ander oogpunt in goede of slechte onderscheiden. Tegenover goede combinaties moeten echter noodzakelijk slechte staan. Men kan dus niet vragen of in ’t algemeen kruising van rassen goed of slecht is. Principieel is zij steeds beide.
Spreker geeft verschillende voorbeelden van kruisingen van haverrassen, waarbij steeds naast een aantal „goede” een aantal middelmatige en een aantal „slechte” exemplaren ontstaan. Indien een bepaalde eigenschap in de te kruisen rassen door twee of meer factoren wordt beheerscht, die ieder voor zich deze eigenschap ook doen optreden, dan kunnen na kruising bijna alleen „goede” of bijna alleen „slechte” individuën te voorschijn komen. Ook kan bij een kruising b.v. schijnbaar uitsluitend het goede te voorschijn komen, omdat het slechte niet levensvatbaar is.
Zoo geeft een kruising van planten, wier chlorophylgehalte door twee factoren werd gedetermineerd: 1o. individuën met dubbel chlorophylgehalte; 2o. individuën met normaal chlorophylgehalte; 3o. individuën zonder chlorophyl, de laatste zijn echter niet levensvatbaar.
In ’t algemeen levert echter ten opzichte van een eigenschap de kruising een resultaat van een groot aantal middelmatige individuën naast een kleiner aantal goede en slechte individuen.
Heeft men niet met één doch met meer eigenschappen te doen die onderling onafhankelijk zijn, dan zal na kruising de nakomelingschap in een aantal opzichten beter in een ander aantal opzichten slechter zijn dan het uitgangsmateriaal.
Is door dit alles nu de blijvende verbetering van een soort onmogelijk? Is dus de kweeker gedesillusioneerd? Neen, dat behoeft niet. In het uit de bastaardeering ontstane materiaal kan hij door selectie ingrijpen en hierdoor de goede eigenschappen vasthouden. Hoe grooter verschil in eigenschappen van het uitgangsmateriaal, des te grooter uiteenloopen van het kruisingsresultaat en des te scherper selectie is noodzakelijk om de goede exemplaren naar voren te brengen. Samenvattend besluit spr. dat men ten opzichte van kruising van rassen onmogelijk een algemeene regel kan geven over het resultaat ervan. Elk geval moet punt voor punt worden onderzocht voor men een besluit kan trekken. Waar men niet kan selecteeren, kan men van kruising van rassen in elk geval een groote dooreenwarreling van eigenschappen met veel slechte exemplaren verwachten. De Eugeneticus zal voorloopig beter doen zijn werkzaamheid te richten op inwendige verbetering van de bestaande bevolkingen zonder van kruising van rassen veel goeds te kunnen verwachten.
Hierop is het woord aan C. B. Davenport over:

De kruising van menschelijke rassen.

Op het door mutaties ontstane menschenmateriaal is door verschillen in klimaat en milieu selectief ingewerkt, waardoor hier deze, daar gene eigenschap ontstond. De verschillende hierdoor ontstane groepen die elk hun eigen aspect kregen, onderscheiden wij als menschelijke rassen. Ieder van deze rassen is in den loop van duizenden jaren aangepast aan de omgeving waarin hij leefde. Latere jaren en vooral de laatste eeuwen brachten sterkere rasvermenging. Een vermenging van deze rassen geeft dus nieuwe eigenschappen-combinaties die aan de omgeving minder zijn aangepast.
Er ontstaan eenerzijds soms grootere afmetingen soms grootere weerstand tegenover schadelijke invloeden, maar daarmee samen ook groote variabiliteit en naast de goede typen ook niet of minder levensvatbare typen. Zoo stierven in een van sprekers proeven alle kuikens van een bepaalde eigenschappen-combinatie geërfd hadden onder omstandigheden waaraan de kuikens van de andere eigenschappen-combinatie weerstand boden.
Tal van eigenschappen worden door spr. genoemd als adaptotieve eigenschappen in de omgeving verkregen respectievelijk behoudenn. De zwarte huid der negers die het leven in de tropische zon mogelijk maakt, de onderhuidsche vetlaag der Eskimo’s die hen tegen de koude beschut, het groote bekken der Europeesche vrouwen, dat hen in staat stelt de groothoofdige Europeesche kinderen te baren; de groote arbeidzaamheid van den Chinees die hem in zijn overbevolkt land voor hongersnood behoed enz. Het is zeer denkbaar, dat uit combinaties van dergelijke eigenschappen door rassenkruising disharmoniet met omgeving of met andere eigenschappen ontstaat.
Vaak is het echter moeilijk te beoordeelen of een combinatie meer of minder gunstig is omdat de rassenquaesties vaak niet objectief worden beoordeeld en men er meer of minder emotioneel tegenover staat.
Aan de hand van talrijke lichtbeelden demonstreert spr. verder de talrijke mengvormen, waargenomen bij kruising van Europeanen met negers, Chineezen, Australiërs, Malaiers, Philippino’s, enz. en de meer of minder gunstige indruk die de resultaten van deze kruisingen op de onderzoekers gemaakt hebben. Als een gunstig voorbeeld worden de kruisingen der Hollanders met de Javanen genoemd.
Als conclusie zou spr. willen zeggen dat het resultaat van rassenkruising naast de nooit uitblijvende grootere variabiliteit niet per sé goed of slecht is, maar afhangt van wat er in de oorspronkelijke rassen zit.
Hierna werd het woord gevoerd door J. A. Mjoen over:

de kruising van menschelijke rassen.

Als resultaat van Mendel-kruisingen zien wij niet slechts ontstaan een mengsel van de in de kruisende rassen aanwezige eigenschappen, maar door de aanwezigheid van di- en poli-mere factoren treden nieuwe combinaties op. De rassen van Europa staan in deze te dicht bij elkear om een goed studie-materiaal te vormen. Neemt men daarentegen negers en Europeanen, dan is steeds een van deze rassen uit zijn milieu gerukt; in Afrika het eene, in Amerika het andere. Daar de invloed van het milieu groot is, is ook dit materiaal voor een goede studie minder geschikt. Een goed materiaal vond spreker in het hooge noorden, waar Lappen (Mongolen) en Noren reeds eeuwen onder gelijke omstandigheden leven en eerst sinds twee gentraties zich onderling hebben vermengd. Bij deze kruising nu, waarvan spreker talrijke lichtbeelden vertoont, werden de typische kruisingsverschijnselen waargenomen. De spierkracht en het longvolume werden voor Lappen en Noren en voor de bastaarden gemeten.
Beide grootheden, die voor elk der kruisende rassen vrij constante waarden hebben, vertoonden bij de bastaarden een veel grooter variatie-coïfficient, wat spr. aan talrijke curven toelicht.
Ook het bekende verschijnsel der Heterasis in casu het grooter zijn van de bastaard dan de grootste der voorouders, wat door samensmelting van verschillende, de groote beïnvloedende, factoren verklaard wordt, werd door spr. met een voorbeeld toegelicht. Door het samenkomen van verschillende factoren, die o.a. de organen der inwendige secretie en hiermee den groei en andere zeer gewichtige functies beheerschen, kan men zich denken, dat bij de bastaard bevolking talrijke desharmonieën op verschillend gebied ontstaan. Als voorbeeld hiervan heeft men de brekingsafwijkingen van het menschelijk oog als een door kruising ontstane desharmonie der samenstellende deelen willen verklaren. Zoo vond Bruns bij de bastaard-bevolking Lappen en Noren, veel meer aangeboren heup-ontwrichtingen dan bij de oorspronkelijke bevolkingen, en zoekt de verklaring daarin, dat de gewrichtskop en gewrichtspan, uit verschillende rassen stammend, niet bij elkaar passen. Gelukkig bestaat er een groote correlatieve aanpassing van de organen onderling, en aan hun functie, die het ontstaan van dergelijke desharmonieën tegenwerkt. Maar ook deze aanpassing heeft zijn grenzen.
Als typisch voorbeeld van den invloed van raskruising op verschillende ziekten vertoont spreker een kaart van Noorwegen, waarop verschillende gebieden in verschillende tinten grijs zijn aangegeven. Wanneer men niet beter wist zou men het er voor kunnen houden dat hier de beide de bevolking samenstellende-rassen in hun onderlinge vermenging waren aangegeven. In werkelijkheid is het echter een kaartt die de tuberculosesterfte aangeeft. Hoewel spr. geenszins gezegd wil hebben dat het ras hier de eenige oorzaak is, is het wel zeer teekenend dat de rassenkaart en de tuberculosesterfte-kaart zoo geheel hetzelfde aspect vertoonen. Samenvattend kan spreker zich aansluiten bij Nilsson Ehlen. Bij kruising kan men verwachten naast de groote meerderheid der middelmatigen, een aantal goede en een aantal slechte exemplaren. Daarnaast heeft men te rekenen met het optreden van bijzondere disharmonieën in de constitutie. Maar ook dit tlaat zich niet generaliseeren. Het zijn slechts de feiten die hier moeten spreken of die men uit deze gezichtspunten moet verklaren. Ook hier dient men elk geval op zichzelf te bekijken. Zoover men er ten slotte een bepaald rassen-ideaal op nahoudt is dat uiteraard alleen in het zuivere ras en nooit door de bastaard te bereiken.
Hierop ontspint zich een levendige discussie over de voorafgaande voordrachten.
Elliot Smith wijst op de groote waarde van het onderzoek van Egyptische kerkhoven, waar de schedels aan hun raskenmerken snet te herkennen zijn en die ook tot interessante conclusies voeren omtrent het optreden van tuberculose en tandcaries in de 12e dynastie, gelijktijdig met de vermenging van eerst gescheiden rassen.
Peaken merkt op dat men bij de beoordeeling van menschelijke kruisingen vooral in het oog moet houden dat het meestal niet de besten onder een bevolking zijn die zich aan een lid van het andere ras verbinden.
Pitsch meent dat al deze beschouwingen slechts in zooverre geldigheid hebben als het lichamelijke eigenschappen betreft, doch dat men aan den geest een onafhankelijkheid van de stof niet mag ontzeggen.
Rodewaldt vestigt er de aandacht op dat de variatie coefficient voor levens-gewichtige eigenschappen lang niet altijd toeneemt en dat daarnevens juist voor dezen eigenschappen belangrijke correlaties bestaan.
Gates dringt er op aan datt de anthropologen bij hunne metingen meer rekening zullen houden met wat uit genetisch ogopunt belangrijk is.
Hierna is het Woord aan de heer Goovaerts over het onderwerp:

Wat is Eugenese?

Het woord Eugenese begint langzamerhand een minder scherpe beteekenis te krijgen. Als punt van uitgang neemt spreker de definitie van Golton. De eugenese is de wetenschap van de verbetering van het ras die zich geenszins beperkt tot vragen van het uitkiezen van paren, maar die zich bezighoud met alle invloeden die de erfelijk beter toegeruste elementen van het ras de overhand doen behouden over de anderen. Wij kunnen deze definitie uit biologisch en uit een practisch oogpunt bezien. A. Het is de biologie die de grondslagen moet leveren voor de eugenistische leer. Ieder individu wordt bepaald door twee groepen van invloeden: 1o. de erfelijkheid die omvat alle combinaties van eigenschappen die hij van zijn voorgeslacht heeft meegekregen; 2o. het milieu waaronder men de geheele in- en uitwendige omgeving van het individu van af het moment der bevruchting heeft te verstaan. B. Practisch komt dit er op neer dat men scherp heeft te scheiden tusschen datgene wat erfelijk is en wat aan milieu-invloeden moet worden toegeschreven. Op de erfelijke constitutie heeft het milieu geen invloed. Wel schept het de gelegenheid voor de geërfde eigenschappen om tot hun recht te komen.
De taak der verbetering van de milieu-invloeden behoort de hygiëne.
Voor de eugenese is het de taak de voortplanting der gunstige elementen te bevorderen en der minder gunstige elementen tegen te gaan.
Men kan dus de verbetering van het ras op tweeërlei wijzen ter hand nemen:
1e. de weg de eugenese door al die sociale factoren te bevorderen die een selectieve werking hebben op de vermeerdering van gunstige elementen in de bevolking;
2e. de weg der hygiëne die een omgeving moet scheppen waarin de erfelijke eigenschappen zich zoo goed mogelijk kunnen ontwikkelen.

Daarna zet de voorzitter, Leonard Darwin, in een slotwoord zijn standpunt uiteen.
De taak der Eugenese is niet in alle landen precies dezelfde. In Engeland b.v. zijn er andere vereenigingen die zich met bestrijding van geslachtsziekten e. d. bezighouden en behoeft de Eugenese zich hiermee dus niet te bemoeien. Dit kan echter in verschillende landen verschillend zijn.
De Eugenese omvat alles wat de aangeboren qualiteiten van het ras kan verbeteren. Men heeft wel gezegd, dat de Eugenese zich verzet tegen sociale maatregelen. Spreker is blij dit te kunnen tegen spreken. Het is aan anderen om op grond van het directe nut de sociale verbeteringen te bepleiten, het is aan de eugenese om deze te bezien uit een oogpunt van rasverbetering. Het groote praktische probleem der eugenese is op ’t oogenblig hoe de ongunstige verhouding te verbeteren die er ontstaat doordat de minst ontwikkelden, zich veel sterker voortplanten dan de beter gesitueerden. Er bestaat een correlatie tusschen genetisch ongunstige eigenschappen — lage loonen — groote gezinnen. Deze moeten wij wijzigen. Heffen wij het sociale milieu van de slecht gesitueerden op en komen wij tot verbetering van woningen dan zal ook hier vermindering van de gezinsgroote optreden waardoor de geboorte-verhouding (tusschen lager en hooger staande maatschappelijke groepen) gunstiger wordt. Hier kunnen dus de sociale hervormer en de en geneticus zij het uit verschillende bedoeling samen gaan.

Feestcongres.

Het gemeentebestuur van Amsterdam heeft gisteren aan de deelnemers aan het Internationaal Anthropologisch Congres een feestconcert, zooals het programma het noemde, aangeboden, dat in de groote zaal van het Concertgebouw gegeven werd.
Behalve voor de congresleden was er ook toegang voor het publiek.
In een zeer goed bezette zaal voerde het Concertgebouworkest onder leiding van Cornelis Dopper de Ouverture „Le Carnaval Romain” van Berlioz en de Giacconna Gotica van Cornelis Dopper uit. Na de pauze werd als schoon besluit de Negende Symphonie van Beethoven gegeven. Als solisten traden hierbij op: Di Moorlag, Meta Reidel, Jac. van Kempen en Tom Denijs. Het koor was de zangvereeniging der afdeeling Amsterdam van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.
Een langdurig applaus en bloemen voor dirigent en solisten toonden aan het slot van het concert de dankbaarheid der toehoorders.



ZOÖLOGISCH MUSEUM.

Verzameling Europeesche vlinders.

Het Zoölogisch Museum te Amsterdam is verrijkt met eene zeer fraaie en rijke verzameling Europeesche vlinders, bijeengebracht door nu wijlen den heer P. J. M. Schuyt, en voor het museum aangekocht door de Amsterdamsche Universiteitsvereeniging.

In 145 insectendoozen omvat de verzameling naar schatting 4000 soorten in ongeveer 14.000 exemplaren, waarbij vele variëteiten. Ook zijn van zeer vele soorten de geprepareerde rupsen aanwezig. Buitengewoon goed vertegenwoordigd zijn de z.g.n. Microlepidoptera, gewoonlijk „motjes” genoemd, waarvan de kleedermotten tot de meest bekende en meest gevreesde vertegenwoordigers behooren. Ook vele andere soorten hiervan, men denke slechts aan de meelmotten, aan de rupsjes uit de „wormstekige” appels enz., zijn van groot economisch belang.
De heer Schuyt was jaren lang bijna de eenige Nederlandsehe entomoloog, die zich met de systematische studie dezer dieren bezighield. In het kweeken en vooral in het prepareeren („opzetten”) dezer buitengewoon teere en fijne diertjes had hij eene groote vaardigheid, waarvan de verzameling een schitterend bewijs levert.



BIJ DE EUGENETICI.

Een noenmaal is Woensdag aangeboden aan de „International Federation of Eugenie Organisations” (Maison Couturier) door het „Centraal Comité der samenwerkende organisaties voor erfelijkheidsonderzoek bij den Mensch” hier te lande.
Als vertegenwoordiger van den minister voerde dr. Josephus Jitta, voorzitter van den Gezondheidsraad, het woord. Prof. Burger sprak als rector der Universiteit Amsterdam Major Leonard Darwin (den voorzitter der „Federation”) toe.



SIR ARTHUR E. SHIPLEY †.

De Engelsche zoöloog Sir Arthur Everett Shipley is overleden te Cambridge, waar hij sinds 1910 master van Christ’s College was. Hij schreef tal van werken, o.a. met A. Schuster „Britain’s Heritage of Science”. Een man van groote beteekenis op biologisch gebied. Hij werd 66 jaar oud.



BOEKENVEILING.

Bibliotheek der afd. Amsterdam van het „Nut”.

Maandag 26 September, Woensdag 28-, en Donderdag 29 September zal bij de firma G. Theod. Bom & Zoon de veiling plaats hebben van de opgeheven bibliotheek van het Departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Kijkdag: Zaterdag 24 Septemer.



NIEUWE UITGAVEN.

Van Willy Verster zag bij den uitgever Joseph Crolla te Valkenburg een geïllustreerd boekje het licht over de Zuid-Limburgsche grottenwereld, met mededeelingen over de grotten te Valkenburg; ook de Romeinsche Katakomben en de model-steenkolenmijn, den Geulhemer-grot, den Sint Pietersberg, de grotten van den Sibberberg, Pilarengrot e.a.

„Om het waarheidsprobleem”.

Een werk van dr. H. J. F. W. Brugmans, dat een leiddraad bedoelt te zijn tot philosophische bezinning, ook voor hen, die nog geheel buiten het wijsgeerige denken staan. De bij de verschillende hoofdstukken gegeven aanteekeningen zijn bestemd voor de wijsgeerig meer geschoolde lezers. Derhalve een publicatie „a double usage”. In het thans verschenen eerste deeltje neemt de schrijver het posivitisme als uitgangspunt. Van den zin van het posivitisme geeft hij zich rekenschap door in onderling verband te zien: kengrond en natuurlijke grond; onmiddellijk gegeven ervaring in zuivere ervaring; transcendente en immanente waarheid.
Dit eerste deel: Positivistische denkvorm, hun zin en hun tekort” zag het licht bij J. B. Wolters in Den Haag.

Voorbereiding tot de Wijsbegeerte.

Dr. Antoon Vloemans, de schrijver van een bij H. P. Leopold’s Uitg. Mij. te ’s-Gravenhage verschenen „Voorbereiding tot de Wijsbegeerte, besluit het eerste hoofdstuk van zijn boek, dat handelt over de taak en de studie van de wijsbegeerte met de concludeerende opmerking: „De beste weg tot een allereerste inleiding in de wijsbegeerte is (daarom) zonder twijfel een nagaan van den historischen ontwikkelingsgang; dan heeft men gelegenheid om met de gewichtigste philosophen een eerste, zij het ook zeer oppervlakkige, kennis te maken en aldus het noodige materiaal te verzamelen om beter de klassieke werken in hun draagkracht en beteekenis te verstaan. Heeft men zich dan eenmaal in een systeem ingewerkt, voelt men zich eenmaal in de gedachtenwereld van een wijsgeer thuis, dan heeft men ook den sleutel, den passe-partout in de hand om zich toegang te verschaffen tot al het andere. Want het gaat met de wijsgeeren als met de menschen in de samenleving: zij hebben oneindig veel meer gemeen, ondanks verschillen van uitgangspunt en uitkomsten, dan men op het eerste gezicht zou vermoeden.”
De dan volgende hoofdstukken van dr. Vloemans’ boek hebben tot titel: „De ontwikkelingsgang van de wijsbegeerte”, „Wijsbegeerte en wereldbeschouwing”, „Historische en sytematische wijsbegeerte”. Aanteekeningen betreffende den tekst zijn toegevoegd en ook een register van persoonsnamen.

„De gedachten van Pascal”, ingeleid en vertaald door dr. S. Eringa. Delft — W. D. Meinema.

Dr. K. Dijk, die voor deze inleiding en vertaling der „Pensées” een voorbericht schreef, geeft pp de vraag: „Waarom is Blaise Pascal voor ons van groote beteekenis?” — ten antwoord, dat dit vooral is om zijn terugkeer tot de gedachten van Augustinus en zijn belijdenis van de vrije genade Gods. Dit optreden van Pascal staat niet alleen. Het is één van de levensuitingen van den vromen kring van Port Royal. Of wil men een der vruchten van het Jansenisme.
Dr. Dijk brengt daarna in herinnering het optreden van den Leuvenschen theoloog Michael Bajus, die de leer der erfzonde aanvaardde en vasthield aan de absolute onmacht van den mensch; voorts de actie van den bisschop van Yperen, Cornelius Jansenius, die, in de lijn van Bajus, tot Augustinus terugging.
Tot dieps aanhangers behoorden o.a. Jean Duvergier de Hauranne, studiegenoot van Jansenius, die eerst abt was van het Benedictijnerklooster te St. Cyran bij Poitou — waarom hij kortweg St. Cyran genoemd werd — en later overging naar het Cistercienserklooster Port Royal bij Parijs. Voorts Antoine Arnauld, hoogleeraar aan de Sorbonne en zijn zuster Angélique, abdis van het klooster Port Royal. In dezen kring verkeert ook Blaise Pascal, wiens zuster Jacqueline een van de nonnen van Port Royal is geweest. Wie het boek van dien naam las, dat Johanna Naber in 1924 publiceerde, kent ook de namen hier genoemd en het tragische lot van deze arme vervolgden, die zich gesteld zagen voor de keus leeringen te verloochenen „die zij met diepe vereering in zich hadden opgenomen, die met haar innerlijkst zieleleven ten nauwste waren samengeweven” of gehoorzaamheid te weigeren aan de machten der Kerk, die over haar gesteld waren.
De inleider en vertaler trekt in zijn voorafgaande beschouwing een parallel tusschen Calvijn en Pascal. De eerste beheerscht de religieuze en politieke gedachte in de zestiende en zeventiende eeuw. „De invloed van Pascal reikt nauwelijks minder ver. Hij is een hoofdfiguur in het godsdienstig, wetenschappelijk en letterkundig leven der zeventiende eeuw. In het conflict tusschen de Christelijke en de heidensche wereldbeschouwing heeft hij, door Gods genade, de eerste doen zegevieren. Zijn natuur- en wiskundige ontdekkingen zijn van de hoogste waarde geweest en hebben de grootste denkers van lateren tijd den weg gewezen. Als schrijver der „Lettres provinciales” en der „Pensées” staat hij in het middenpunt der belangstelling. Zijn wijsgeerige opvattingen vinden, juist in onzen tijd steeds grooter waardeering.”
„Tusschen Calvijn en Pascal bestaat een geestesgemeenschap, die niet enkel door den invloed van Augustinus op beider gedachte verklaard wordt. De vrije, almachtige genade Gods is het uitgangspunt van hun leven, de grond hunner wereldbeschouwing.”
„In de Pensées straalt Pascal’s geloof uit met een gloed, waarin al zijn voorgaande ideeën zich versmelten tot een schitterend geheel. Wie dit onvoltooide — (Pascal teekende zijn denkbeelden op toen hij zijn krachten voelde verminderen; hij liet ze na in den vorm van fragmenten) — werk door vorscht, vindt er den ganschen Pascal in weer.”
Dr. Eringa ontvouwt daarna in een twaalftal hoofdstukken de gedachte-ontwikkeling van den Christen-denker, zooals zij zich in zijn leven in opeenvolgende geschriften heeft geopenbaard.
WET.



Kunst

FRITZ HIRSCH’ OPERETTE.

„Die lustige Witwe”.

+ Een oude, maar volstrekt nog niet verouderde operette. Het Haagsche pubiek is Fritz Hirsch dankbaar, dat hij het vroolijke weeuwtje nog eens op de planken gebracht heeft en het er voorloopig op houdt. Het heeft dat ondubbelzinnig getoond door uitbundigen bijval, bij open doek, zooals dat heet, en om het weer geopend te krijgen, en door een massa bloemen bij de première.
Over de operette zelve behoeven we wel niets meer te zeggen. De regie, van Paul Harden, is voortreffelijk; de costumes en de aankleeding zijn zeer verzorgd. De regie is zoo, dat sommige tafereeltjes in de tweede acte, tijdens het gecostumeerd feest in den tuin van het vroolijke weeuwtje, aan de fijne fragmenten van „De Blauwe Vogel” doen denken. Hqe mooi, hoe boeiend, is het ensemble van Hirsch’ gezelschap, heel deze voorstelling door. Welk een sterk samenspel! Als Mimi Guyenes, die met fijne gracie en beschaafd temperament de hoofdrol vervulde, in de tweede acte het Vilja-lied zingt, dan vormen de anderen, om haar heen, een groep, waarin spel gegeven wordt en die mééleeft. Iedere medespeler, in wat voor onbeteekenende rol ook, vormde toch een eigen persoonlijkheid, drukte een eigen karakter uit. Alle waardeering bijvoorbeeld voor Herbert Weissbach, die den heelen avond bijna geen woord zegt, maar die je ziet en voelt en volgt, hoe sober hij ook in zijn bewegingen is. Zoo heeft Jula Rillo van een bijrol ook weer iets aparts gemaakt. En dat geldt eigenlijk voor allen.
Hirsch heeft de rol van gezantschapskanselier, oogenschijnlijk een bijrol, maar of hij er is! De menschen schateren om hem. Walter Triebel is geknipt voor de rol van den gezant, terwijl Friedl Dotza zijn schattige jonge vrouw is. Paul Harden, als gezantschapssecretaris, die het vroolijke weeuwtje veroveren zal, geeft krachtig, temperamentvol spel met Mimi Guyenes. Sapperment! Die twee kunnen het! Vermakelijke momentjes weten de spelers telkens te verwekken: het onderhoud tusschen den gezant en zijn secretaris in de eerste acte, het twistgesprek tusschen de officieren, die elkaar het vroolijke weeuwtje betwisten, ze zijn om te schateren.
Maar wat ons bij dit gezelschap bovenal, telkens opnieuw, zoo treft, dat is het voortreffelijk ensemble, waarin vaak zeer goed tooneelspel wordt bereikt. Het is dan ook een winst voor Den Haag, voor het heele land, dat Hirsch met de zijnen van den winter hier blijft.



NEDERLANDSHE MUSICI IN DEN VREEMDE.

Dirk Pot. — Jacques Muller.

De heer Dirk Pot, sinds twee jaar altviolist aan het Stedelijk Orkest te Dortmund, is benoemd tot solo-altviolist aan het Stedelijk Orkest te Goteborg (Zweden); de heer Jacques Muller, ook sindt twee jaar solo-altviolist te Coblenz, is in dezelfde functie verbonden aan het Stedelijk Orkest te Braunschweig.



EEN VERMEER ONTDEKT?

Naar het „Berl. Tagebl.” meldt zou dr. Vitale Bloch, die hier in Amsterdam het filiaal beheert van den Berlijnschen kunsthandel Rothmann, in een Nederlandsehe collectie een schilderij van den Delftschen Vermeer hebben ontdekt. Het stukje, 18.3 bij 13.9 cm groot, stelt een jonge vrouw voor, die een brief leest; zij draagt een geel jak en staat voor een witten muur, waaraan een schilderij, een zeegezicht, hangt. Dr. von Bode, die in het Kaiser-Friedrich-Museum het stukje onderzocht, heeft de echtheid ervan vastgesteld.



EEN SCHUBERTFONTEIN TE WEENEN.

Bij gelegenheid van het aanstaand Schuberteeuwfeest wil men te Lichtental (thans het negende district van Weenen) een Sohubertfontein oprichten, waarvoor de gemeente Weenen reeds den grond afgestaan en een belangrijk bedrag toegezegd heeft. Voor het nog ontbrekende van de 80.000 schillingen, die het gedenkteeken zal kosten, roept het Weensche Schubert-comité de algemeene offervaardigheid in. Het monument zal voorstellen een marmeren luisterende meisjesfiguur, omgeven door boomen.

BERNSTEIN OVER DE JONGE ACTEURS.

Onze Parijsche correspondent meldt:
Henry Bernstein schrijft in „Comoedia” een artikel vol bewondering voor en waardeering van het spel van de vertolkers van „Le Venin”, dat na de heropening van het „Gymnase” zijn roemrijke loopbaan voortzet. Natuurlijk is dit meteen een kleine herinnering aan dit feit, en dus reclame, maar die hulde is volkomen verdiend — „Le Venin” wordt inderdaad schitterend gespeeld, geeft een van de best-denkbare voorbeelden van volmaakt-àf Parijsch tooneelspel.
Interessant is wat deze scherpe opmerker zegt over de neigingen van de jongere tooneelspelers.
„Deze kunst — schrijft hij — heeft zich in de laatste vijftien jaar geheel vernieuwd: men bemerkt dat al heel spoedig wanneer men praat met de jonge mannen. Deze zijn zeker niet minder verlangend dan hun voorgangers om rollen te spelen van beteekenis en goed allooi, maar zij hebben geleerd dat hun persoonlijk succes geheel afhing van de waarde van het tooneelstuk en van den totaal-indruk der voorstelling.
„Verre van — zooals vroeger voorts voorkwam — een al te schitterende nabuurschap te vermijden, vinden de artisten van deze nieuwe school de meest oprechte vreugde in het zich vereenigd gevoelen bij de interpretatie van een werk, bij het zoo dikwijls mogelijk samenwerken, het „werken in de ploeg”, zooals zij zeggen. En hun wederzijdsche waardeering, de kennis die ieder heeft van het spel der anderen, geven aan de stukken die zij spelen een aangenamen, soepelen gang, en vooral een wáárheid vol stijl — te weten juist het tegenovergestelde van dat ellendige „verisme”, dat vele acteurs van onzen tijd, helaas, verwarren met eenvoud en oprechtheid.”

VERTAALDE BOEKEN.

Bij A. W. Bruna & Zn. te Utrecht verschenen „Een liefdesdrama” door Ethel Dell, (vert. C. Dumoulin Goedkoop), en van dezelfde schrijfster: „In dienst van allen” (vert. D. Wafelbakker) en „Luchtkasteelen”, (vert. M. Hellema).
In de feuilleton bibliotheek der N. V. Drukkerij Jacob van Campen te Amsterdam zagen het licht: „Sam en zijn Schat” door P. G. Wodehouse; „De innemende landlooper”, door E. J. Rath; „De jacht op de veertig Schedels”, door Leo Walmsley en „Meneer X”, door Valentine Williams. Bij denzelfden uitgever verscheen het kinderboek „Naar Rapidolië, het zesde werelddeel”, door Ralph Springer, geïllustreerd door O. Roland.
Een nieuw boek van Herman Löns, „De Huizen van Ohlenhof” (vert. J. J. Musschenhage) verscheen met teekeningen van Sj. Kuperus bij A. G. Schoonderbeek te Laren (N.-H.) waar ook een roman van Marie Diers, „De kinderen van Heekendam” (vert. Christine Oudemans) het licht zag.



TIJDSCHRIFTEN.

„Beeldende Kunst”.

Het maandschrift „Beeldende Kunst” ontleent zijn platenserie dit keer aan het Museum Mesdag, met reproducties naar Millet, Rousseau en Diaz. Op den omslag zien we, op ongeveer ware grootte, het kleine bloemstuk van Diaz afgebeeld; bij de losse platen, van Millet: het schilderij „De visschersvrouw” en drie pastels; van Rousseau het „Vijvertje” en de teekening „Boschgezicht”, van Diaz het schilderij „Storm”.

„Art et Décoration”.

In Mei van dit jaar heeft te Parijs, georganiseerd door de „Union Centrale des Arts Décoratifs”, een tentoonstelling van sierkunst uit Ned.-Indië plaats gehad, die een groot succes is geweest. Het Septembernummer van „Art et Décoration” is geheel aan deze tentoonstelling gewijd, met een reeks, fraaie reproducties en een toelichtend artikel van Gabrielle Ferrand. De schrijfster geeft daarin een uitgebreid overzicht van het tentoongestelde, van het karakter van het land en de bevolking, waar de verschillende voorwerpen ontstonden en van het doel, waartoe ze werden gebezigd. Het grootste deel van wat te Parijs te bewonderen viel, was afkomstig uit de bekende verzameling W. O. J. Nieuwenkamp; ook Nederlandsche en Parijsche musea stonden fraaie stukken aan de tentoonstelling af.
Veiling- en boekennieuws besluiten de aflevering.



School en Opvoeding.

ACADEMISCHE EXAMENS.

Utrecht. Geslaagd voor het cand. ex. rechten G. van Kalveren en E. W. J. van Breukelen.

Rotterdam. Gepromoveerd tot doctor in de handelswetenschap, de heer H. A. Marcus, geboren te Leeuwarden, op proefschrift. „De Kamers van Koophandel en Fabrieken in Nederland”, en stellingen.



EXAMENS VRIJE EN ORDE-OEFENINGEN.

Amsterdam, 22 September. Geslaagd de dames R. Driessen, Amsterdam; M. J. S. Gerlings, Amersfoort; S. A. J. H. Lemeke, Utrecht; G. J. Coepijn, Middelburg; W. Th. M. van de Burgt—de Rijp; A. H. O. Montanban, Haarlem.

Groningen. Geslaagd de heeren H. Schipper, Winschoten; S. J. Broos, Winschoten; G. W. Rosenboom, Groningen; K. Klaverdijk, Groningen, J. Burema, Norg en G. de Haan, Huizum.



HANDELS HOOGESCHOOL.

Het aantal nieuw ingeschreven studenten aan de Nederlandsche Handels Hoogeschool bedraagt 84, onder wie elf dames.



NUTSSEMINARIUM VOOR PAEDAGOGIEK.

In den cursus 1927/’28 van het Nutsseminarium voor paedagogiek te Amsterdam zullen de volgende colleges en bijeenkomsten worden gehouden:
I. Paedagogiek, door prof. dr. Ph. Kohnstamm, Woensdag 3—5. Aanvang 28 September.
OO. Inleiding in de Wijsbegeerte, door prof. dr. Ph. Kohnstamm, Woensdag 2—3. Aanvang 28 September.
III. Psychologie, door drs. W. H. ten Seldam, Zaterdag 3—4 (begint 3 u. precies). Aanvang 8 October.
IV. Koloniale Onderwijsproblemen, door dr. G. J. Nieuwenhuis, vermoedelijk Woensdag 11—12.
De colleges van prof. Kohnstamm en den heer Ten Seldam zijn verplicht voor hen, die zich voorbereiden voor de Middelbare Akte Paedagogiek. Zij, die zich niet voor het examen willen voorbereiden en slechts een deel der lessen willen volgen, worden verzocht, zich met den leider van het Nutsseminarium, prof. Kohnstamm, Athenaeum Illustre, O. Z. Voorburgwal 231, Amsterdam, in verbinding te stellen.

BUITENGEWOON ONDERWIJS.

Op de laatst gehouden algemeene vergadering der Vereeniging van Onderwijzers en Artsen werkzaam aan inrichtingen voor onderwijs aan achterterlijke en zenuwzwakke kinderen is met algemeene stemmen de volgende motie aangenomen:
„De algemeene vergadering, van meening, dat de neiging van sommige gemeentebesturen om het buitengewoon onderwijs te regelen in overeenstemming met de verordeningen op het gewoon lager onderwijs niet gewenscht is, spreekt de noodzakelijkheid uit om bij het vaststellen van verordeningen voor buitengewoon onderwijs de eigen behoeften van dat onderwijs in acht te nemen.”



Kerknieuws.

PRIESTERJUBILEUM.

Pastoor A. Abels van de Sint Augustinuskerk te Nieuwendam (Amsterdam-Noord) heeft gisteren onder vele blijken van belangstelling zijn zilveren priesterjubileum herdacht.



NIEUWERE WEGEN VOOR DE CATECHISATIE.

Men schrijft ons:
De catechisaties in ons vaderland staan veelszins nog op het peil van eenige eeuwen geleden. Maar des te meer is dan het streven loffelijk, om het peil te verheffen. Dienaangaande lezen we in het kerkeraadsverslag der Geref. Kerk van Leeuwarden een merkwaardig stukje. Het volgt hier:

Dr. Van Es deelt namens het ministerie van predikanten enkele gedachten mee over wat op de catechisaties dient te worden onderwezen (Geloofsbelijdenis, Zending, Kerkrecht, Kerkgeschiedenis) en de moeilijkheden, aan dit onderwijs verbonden, en de betrekkelijk geringe resultaten en stelt daarom voor:
1e. een commissie te benoemen, bestaande uit de drie predikanten en de beide jeugdouderlingen om deze zaak in studie te nemen.
2e. dat niet alleen de leeftijd, maar ook de gemaakte vorderingen zullen beslissen, in welke groep de catechisanten worden geplaatst.
Aan de eerste groep zou kunnen worden onderwezen het Kort Begrip (van Landwehr); aan de tweede groep de Catechismus.
Aan de derde groep verschillende belangrijke onderwerpen (b.v. Schriftvraagstukken, de Rechtvaardigingmaking enz.)
3e. aan den wethouder van Onderwijs te verzoeken, op den Dinsdag- (of Woensdag-)avond geen vakonderwijs aan jongelui te doen geven, die in de termen vallen, de catechisatie te bezoeken, enz.

Wellicht steekt in dit Leeuwardensche verslag ook voor kerken te elders eenigerlei nuttige gedachte.



EEN CONCESSIE.

Het Vaticaan heeft besloten, dat de Japansche Roomsch-Katholieken aan den Japanschen keizercultus mogen deelnemen. Het besluit werd genomen op grond van de verklaring van vertegenwoordigers der Japansche regeering, dat „ingevolge het oordeel van de vooraanstaande theologen” de cultus van de keizerlijke voorvaderen geen religieuse beteekenis heeft. De (Duitsche) „Wartburg” vraagt bij dit bericht hoeveel Christenbloed onvergoten had kunnen blijven, wanneer in de eerste eeuwen der Christelijke Kerk, in de tijden van Decius en Diocletianus, de keizercultus zoo vriendelijk behandeld ware.



DE WEENER THEOLOGISCHE FACULTEIT.

De protest. theologische faculteit, welke sinds eenige jaren officieel aan de Universiteit te Weenen verbonden is — tot op dien tijd was er alleen een officieële R.-K. theologische faculteit — verheugt zich in voorspoedige bloeijaren. In het afgeloopen semester had zij 84 studenten, en overtrof met dit getal de protest. theologische faculteiten aan vier Duitsche universiteiten (Rostock, Kiel, Jena en Giessen) terwijl zij bij Breslau en Münster (elk met 86 studenten) niet noemenswaardig achterbleef.



DE FRANSCHE PROTESTANTEN.

Men schrijft ons:
Volgens de Züricher „Protestant” zijn er thans in Frankrijk rond 600.000 Protestanten, van wie er 300.000, de helft dus, in Elzas-Lotharingen woont. Deze cijfers geven wel tot eenig nadenken aanleiding. Vóór den oorlog telde Elzas-Lotharingen 400.000 protestanten. Uit de cijfers is af te leiden, dat dus wellicht de bekende uitzettingen aan het protest. deel van Elzas-Lotharingen een vierde van zijn cijfers gekost heeft. En — vóór den oorlog werd het cijfer der protestanten in Frankrijk op rond 650.000 gesteld, zonder Elzas-Lotharingens bevolking mee te rekenen dus. Uit de cijfers rijst dus de conclusie, dat de Fransche protestanten in den loop der laatste jaren de helft van hun aantal verloren hebben.



EEN PROTESTANTSCHE BEWEGING.

In Polen.

Volgens het „Evangelische Gemeindeblatt” van Stanislaw in Polen, dr. Zoeckler, is er in Poolsch-Oekrajine een sterke protestantsche beweging opgekomen. Elk oogenblik komen berichten in van nieuwe gemeenten, die gesticht worden. Kerken heeft men nog bijna niet. Men vergadert bijna overal in kamers van boerderijen. Maar men behelpt zich gaarne en de vergaderplaatsen zijn overvuld, terwijl overal zeer velen als lid toetreden. En bouwcomité’s maken zich op de meeste plaatsen op, om tot kerkstichting te kunnen komen. De sterkste gemeente is te Podhajazyki. Daar werden bij de jongste verkiezing voor den 40 leden tellenden gemeenteraad bijv. 13 protestanten en 8 protestantsch-gezinden gekozen. In Molodiatyn werd in Augustus j.l. de eerste nieuwgebouwde Poolsch-Evangelische kerk, welke aan deze nieuwe beweging te danken is, in gebruik genomen.



Zee- en Landmacht.

ONDERSCHEIDINGEN.

Eereteeken voor watersnooddiensten.

Bij Koninklijk Besluit is, behalve aan vele andere personen, aan 16 officieren der zeemacht en 127 onderofficieren en minderen het eereteeken ter erkenning van uitstekende daden bij gelegenheid van den watersnood in 1926, in zilver, dan wel in brons, toegekend.



INDISCHE DIENST.

De luitenants ter zee 3e kl. C. A. Lagaaij, G. A. Boegborn, M. J. M. de Gorter en W. van Haaften, aangewezen voor den dienst in Oost-Indië, zullen hunne bestemming volgen per s.s. „Tjerimai” van den Rott. Lloyd, dat 5 October van Rotterdam vertrekt.



Bij besch. v/d. Min. v. Marine a. i. is luit. t/z. 1e kl. H. Pitlo 27 Sept. a.s. belast met het bevel over het stoomloodsvaartuig No. 6 en is off. v. gez. 2e kl. L. Noteboom met denzelfden datum gepl. a/b. van dien bodem.