Naar inhoud springen

Pagina:Apologie van Pr Willem I van 1580.pdf/136

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

[ 134 ]

is ghenoech uitwijsende,[1] hoe dat de ghene die onsen raedt niet goet en hebben ghevonden, haers meesters saken soo wel beleyt, ende hem soo goet huys ghehouden hebben. Daer beneven heeft ons Godt oock willen betoonen, hoe wel dat hy de zijne voor eenen tijdt lanck castijdt ende ter neder slaet, dat hy nochtans een soo merckelicke ende ghequalificeerde meyneedicheyt, als dese is, van den Coninck ende Hertoginne van Parma, niet soo en liet henen gaen sonder de selve swaerlick te straffen: ten eynde dat alle weerelt soude weten, dat God niet sonder groote redene en heeft gheseyt, dat hy niet en fal voor onschuldich houden noch onghestraft laten den ghenen die zijnen name in ydelheyt sal ghebruycken.

Datse seggen van t'breken der beelden, autaren, kercken, ende andere ongheregheltheden, Wy houden dat niemandt en is onder ulieden, mijn Heeren, die niet ghenoech bekent en sy, dat wy aen sulcke wijse ende maniere van doen noyt gheen behaghen en hebben ghehadt: [2] oock dat veele

  1. ↑ Zie des Princen deftige Memorie by Bor, III. 92, enz.
  2. ↑ Vergelyk de Besch. van Breda van den Heer T. E. van Goor, bl. 141 en 94.