[ 149 ]
Conincrijcke te benemen, ende den voorschreven Albrecht daer mede begift hebbende, gaf hem last den tittel van Roomsche ende Fransche Coninck te gebruycken. Maer hy en vandt de geestelickheyt van Vranckrijcke so wel tot hemwaerts niet gesint, daer toe niet soo rijcke noch soo machtich als die van Duytschlandt: Daer en boven was dat gantfche Conincrijcke wacker gemaect, door dien dat meester Pieter van Cognieres s'Conincks sake soo wel ende wijselick beleyt ende gedicht hadde: Ja hy vant den Coninck selve so wel geresolveert, dat hy tot Anagnia fijne fatuiteit ofte mallicheyt (alsoo noemde de Coninck in sijnen brief de Pauselicke heylicheyt[1]) dede aentasten by eenen van de principaelste Heeren, die t'hooft was van den edelen huyse van Columna, ooc by eenen Edelman uit Languedoc, met
- ↑ Scies fatuites vestra — Den aart van dezen Bonifacius heeft MARNIX in den Byencorf (VI.) met een voorbeeld bewezen. Hy moet ook een mensch van toomeloze oplopendheid geweest zyn. Op Aschdag komen alle Roomschgezinden om hun voorhoofd met gewyde assche te laten tekenen, en daar by de vermaning te ontfangen van Memento homo, quia cinis es, & in cinerem reverteris. De aartsdiaken Praebetur, die, een Gibellyn zynde, de tegenparty van den Paus was toegedaan, boog zich voor deze wying ook neder; doch werdt van den H. Vader met eene hand vol asch in zyne oogen geworpen, en daar op met een 'Memento, homo quia Gibellinus es & cum Gibellinis in cinerem reverteris, afgeland.