[ 156 ]
doen, niet en souden meerder vryheyt connen hebben ofte begheeren. Ende onder andere rechten hebben wy oock dese privilegie, dat wy onsen Hertoghen tot ghelijcken dienste verbonden zijn, als hier voortijts die Ephori tot Sparte haren Coninghen dienden namelick, om t'rijcke te bevestighen in de handen eens goeden Vorsts, ende om te bedwinghen te doen dat recht ende redene is, den ghenen die teghen sijnen eedt yet soude willen voornemen.
Hier op sal men moghelick segghen, dat by den voorschreven eedt is een seker conditie gheset: te weten, dat wy van onsen eede sullen ontslaghen zijn, tot der tijdt toe dat hy de faute sal opgerecht ende ghere pareert hebben. Maer of hy de selve in ecuwicheyt niet en ghedochte op te richten? Soo men als de Keyser Maximiliaen, metgaders de Vorsten des Rijcks hem baden ende voor ons ten besten spraken, ten eynde, dat hem soude believen t'landt wat te ontlasten, hen voor antwoorde gheeft, datse hen met hare eyghen saken souden moeyen, dat de Coninck wel wiste hoe dat hy sijne onderdanen behoorde te regeeren: Jae soo hy met grooter vermetenheyt ende hoochmoet onse Requesten is verstootende, als wy hem so menichmael hebben doen verthoonen, en-