Naar inhoud springen

Pagina:Apologie van Pr Willem I van 1580.pdf/163

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

[ 161 ]

mede uitdruckelick, dat wy niet alleene vry ende reyn zijn van soodanige misdaet, maer oock hoe wel datse onbeschaemit ghenoech zijn, daer toe onse doot-vyanden, dase nochtans gheen ghenoechsame noch bequame redene ghevonden en hebben om ons de faute voor te werpen, van de welcke ghewoonelick alle Gouverneurs van Provincien t'zy te rechte oft t'onrechte pleghen beschuldicht en de ghelastert te werden. Maer wy hebben Gode lof, al van over langhen tijdt dese lesse gheleert, dat de ghene die eenich bevel heeft, voor alle dingen behoort suyver handen te hebben, jae waert moghelick oock vry van alle quaet vermoeden. D'welck is d'oorsake geweest, waarom dat wy noch zijnde in onser jonckheyt, de handen aftrocken van de superindentie van de financien:[1] de welcken van anderen seer gheerne wert opghevaet ende gheaenveert. Ende hoe wel, mijne Heeren, dat het gheensins van noode

  1. ↑ Hem was de eerste post in de Financien aangeboden. Ik zal in 't kort zeggen, dat PHILIPS vier Rekenkamers hadt, eene te Ryssel, eene te Brussel, eene in Holland (in 's Hage of elders) en eene te Arnhem. Over deze was gesteld, en verre verheven de Kamer van Financien, welke uit Hoofd, of Hoofden, Thesaurier Generael en Gecommitteerden van de Finansien bestondt. Het ampt van Hoofd werdt van de Hoofden uit het land, of de aanzienlyksten bekleed, by voorbeeld, door den Grave VAN HOOGSTRATEN, AREMBERG en dergelyken.