[ 168 ]
wy hadden wel begheert dat ment ghelaten hadde: ende noch meer was het teghen onsen sin, doe 't ward ter executie ghestelt. Waer van dat mijne Heeren van Hollandt ende Zeelandt ons sullen soo goet ghetuygenis geven, selfs sommige corsele ende moeyelicke quellers onder ons, die tegen alle redene in vreemden landen ons alomme zijn qualick nasprekende: in der voeghen dat wy verhopen, dat ons niet seer van noode en sal wesen op soodanighe beschuldinghen te antwoorden: de welcke nae dat wijse als valsch ende onwaerachtich sullen geloochent hebben, wy en hebben voorts geen sorge dat sy eenichsins de selve sullen connen bewijsen: latende ulieden hier van oordeelen, mijn Heeren, hoe spottelick dat sulck een beschuldinghe moet wesen, die men met soo slecht een antwoorde verstooten: ende niet te min alle de schoone verwen ofte coleuren daer dese schilder hem beroemt ons mede afghemaelt ende ghecontrefeyt te hebben, zijn meestendeel van sulcker stoffe, datse met een slecht Neenwoordt connen uit ghevaecht werden. Maer soo men woude by brengen, dat dies niet tegenstaende, de ghene die verjaecht zijn, groot recht hebben van te clagen, gemerckt dat hen de belofte niet en is gehouden worden, hoe wel dat ons t'selve niet aen en