[ 186 ]
uit te roeyen, ende tot slaven ende lijfeygene te maken. Want gelijckerwijs als Hannibal van den neghensten jare sijnes ouderdoms af, op den autaer sijner Goden swoer, dat hy al sijn leven lanck soude een vyant van den Romeynen zijn: also is desen Hertoge van Alva oock van joncx op in eenen onversoenelicken haet ende vyantschap teghen dese landen opghequeeckt ende gevoedt worden, die noyt en heeft connen versadiget werden door al dat bloet dat hy gesopen heeft: d'welck hy in soo grooter overvloedicheyt heeft vergoten, dat men in allen steden van dese landen t'selve met geheele beken heeft ghesien lancx de straten lopen: jae gelijck hy hem selven heeft derven beroemen, hy heeft meer dan achthien duysent arme onschuldige persoonen door s'beuls handen laten ombrenghen. In der voegen dat soo yemant begheert te weten wat den secreten raerslach van Spaegnien is, hoedanioh dat s'Conincx wille is, ende hoe lief dat hy ons heeft: die sal t'selve altemale in de bloetgierighe feyten des voorschreven Hertoghe van Alva soo claerlick bevinden, evenals of hy 't voor sijnen oogen gerepresenteert ofte op een tafereel geschildert sage. Want daer en is ter weerelt gheen soorte van gheveynstheyt, verraderije