Naar inhoud springen

Pagina:Apologie van Pr Willem I van 1580.pdf/257

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

[ 255 ]

wy des halven ons niet en behoeven by ulieden te ontschuldighen) dat wy noch om lijf soch om goet, noch om wijf noch kinderen, slechts een droppel van verraderije of dierghelijcke vergift in onsen dranc en willen doen. Doch so lange als het Gode believen sal maer een droppel bloets ofte eenen penninck slechts van onse goeden, jae maer een weynich verstandts, neersticheyt, geloofs ende aensiens ons te laten overblyven, wy willen dat selve noch tot uwen dienste geerne besteden, toeeyghenen ende opofferen. Daer en tusschen, nademael datse ens sulcx verwijten, so willen wy ulieden dat noch meer seggen, mijne Heeren, datse t'selve niet gedaan en hebben sonder daer aen de waerheyt te sparen. Want soodanige presentatien als se seggen, en zijn ons noyt geschiet, niet dat men ons niet en soude van te vooren wel ende sekerlick de wete gedaen hebben, dat wy ter weerelt geen dingen hadden connen eysschen, aengaende onse eygen ende particulier saken, of men soude ons t'selve verwilliget ende veraccoordert hebben: ende dat men voorts ons beloven woude onsen sone uit de hechtenisse te ontslaecken, hem gevende alle onse staten ende officient ende ons also veel goets als wy hebben (so wel van dat wy tegenwoordelick zijn ghe-