[ 258 ]
brocht hebben, schuldich te wesen. Maer soo ghy ter contrarien (alsoo wy verhopen) oordeelen wert, dat wy van snoode luyden, verraders ende tyrannen beschuldicht zijn: als dan willen wy achten, dat wy onsen tamelicken, ende niet te min seer ghetrouwen dienst,seer wel hebben aengheleydt ende besteedt.
Nu comen sy, mijne Heeren, ende willen voorts op dese crancke ende swacke fondamenten de sententie van dese hare verhanninghe bouwen ende stellen hier te wercke alle hare conste van wel te sperken. Sy donderen, sy blixemen, ende zijn wonderlick ontstelt. Sy doen als de God-dinnen der rasetnije deden op den schoowplaetsen daer men de spelen eertijts was vertoogende, alle soorte van grouweliche woorden ende in de dry helsche rivieren geweect als schichten tegen dit arme hooft schietende ende werpende. Maer dit alles Gode lof; en maeckt ons niet te meer verbaest dan dien grooten blixem dede van den Paus Clement dien hy uit de stade van Roome schoot tegen mijn Heere de Prince Philibert onsen voorsaet, die daerom niet en liet hem ghevanghen te nemen. Want als wy over ende weder alle dinghen wel ingesien ende bemerckt hebben, soo be-