Naar inhoud springen

Pagina:Apologie van Pr Willem I van 1580.pdf/261

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

[ 259 ]

vinden wy dat het slechts winden zijn van woorden, ende een geruysch om cleyne kinders daer mede vervaert te maken, niet om eenen man te verschricken, die door Gods genade den moet noyt verloren en gaf om alle haer cartauwen, hoe menich ende hoe groot dat se ooc mochten wesen, noch om tachtentich duysent mannen, die de Hertoghe van Alva te velde voerde, noch om so veel armeyen te water, noch om so menigerhande verraderijen van den voorschreven Hertoghe ofte zijnen navolger, selfs van de Hertoginne van Parma, eer dat de voorschreven in 't landt quamen: daer nochtans al t'gene dat nu verhaelt is onghelijck veel vreeselicker was, dan het ydel rommelen van sulck eenen donderslach terstont wederom vergaende sonder yemandt te quetsen. En ons is genoech, dat wy hier op slechts met eenen woorde voor ulieden, ende voor de gantsche wijde weerelt seggen, dat alle Spaegniaerden ende gespaegnoliseerde van wat qualiteyt ofte condicie dat deselve zijn sonder yemant te respecteren oft uit te nemen die geseyt hebben ofte sullen willen seggen (gelijck als desen eerlosen Ban uitgeeft) dat wy een Schelm ofte verrader zijn, dat sy valschelick ende tegen de waerheyt ghesproken hebben. Daer en tusschen