Naar inhoud springen

Pagina:Apologie van Pr Willem I van 1580.pdf/264

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

[ 262 ]

ken, die sullen voor onse versekertheyt de waecke houden.

Maer hoe wel dat ter weerelt noyt meer der onbeschaemtheyt en wert bevonden, die te verghelijcken zy by die van de Spaegniaerts: nochtans wy en connen ons hier as niet genoech verwonderen, dat se alle schaemte achter gestelt hebbende, derven so voor de gheheele Christenheyt, openbaerlick laten vercondigen, niet alleene datse op eenen sekeren prijs stellen een sulcken persoon die vry ende vranck is, ja die hem (Gode lof) noyt voor hen lieden en heeft ontset, maer dat se oock daer by voeghen sodanighe recompensen, die so vreemdt ende so wijds verscheyden zijn van alle eerbaerheyt, metgaders van alle vriendelikheyt ende beleeftheyt: te weten voor 't eerst, Dat se den genen die sich so vroom ende grootmoedich sal laten bevinden, dat hy by eenighe middel selve sal connen executeren, beloven in aensieninghe van zijn vroomicheyt, to annobiliteren ofte Edel te maken, indien hy van gheenen Adel en ware. Maer oft nu so quame (dat wy nochtans, hopen dat Godt niet en sal laten gheschieden), dat de gene die sulcs gheexecuteert ofte volbracht hadde, ware van Edelen geslachte oft afcomste; meynt ghy ooc dat daar eenich Edelman