De brochure van den heer B. R. G. Bouricius
In dit artikel wenschen wij niet anders dan een overzicht te geven van den inhoud dezer brochure. Bespreking van het onderwerp, uitgifte van woeste gronden, zal later volgen.
Bij een drietal besluiten werden aan den heer B. R G. Bouricius te Batavia in huur afgestaan de perceelen woesten grond Waliran en Kandangan in de residentie Madioen. Met veel ijver was de huurder aan de exploitatie begonnen, toen hij op eens verneemt, dat de regeering van plan is een perceel woesten grond in de nabijheid van Waliran in erfpacht aan te bieden, en dat twee aanvragen zijn gedaan om gronden, grenzende aan Kandangan[.] Persoonlijk deed de uitvoering dezer beide plannen hem voor groot nadeel vreezen, maar daar het hier meer gold en wel de vraag: welk beginsel de regeering in de toekomst zal aankleven bij de toepassing en ten uitvoerlegging der Agrarische wet? wendde hij zich tof de Kamer van Koophandel om den steun van dat lichaam interoepen. De vice-president, de heer N. P. van den Berg, bracht in deze zaak preadvies uit, waarbij hij verklaarde het met den heer Bouricius eens te zijn omtrent het belang, dat de regeering had om andere perceelen aan te bieden, dan juist die vlak bij gevestigde ondernemingen gelegen, maar eenigszins den draak stak met het denkbeeld van den heer B om rondom elke onderneming een strook woesten grond te laten, ook al werd die in huur of erfpacht aangevraagd.
De Kamer vond dit preadvies uitstekend en legde er zich bij neêr.
Niet alzoo de heer Bouricius. Nu het hem bij de geheele kamer niet gelukt was, beproefde hij de leden afzonderlijk tot zijn gevoelen over te halen, en werkelijk slaagde hij bij den heer van den Berg volkomen. Deze schreef toen aan de kamer, dat hij vroeger gedwaald had, dat hij hij dit ronduit bekende, en dat hij nu de gronden van zijn veranderde zienswijze meêdeelde. Ook dit advies vond de kamer uitstekend: waar de heer van den Berg gedwaald had, mocht zij ook wel dwalen, en de heer Bouricius kreeg den gevraagden steun bij de Regeering.
Het laatste preadvies van den heer van den Berg houdt voornamelijk het volgende in: de kern van het vraagstuk ligt in de kwestie van de beschikbare werkkrachten en in verband hiermede van de dagloonen; in hoofdzaak komt het er dus op aan de houding der Regeering hiertegenover te bepalen. Nu is het raadzaam, dat op dit gebied geen onbegrensde mededinging wordt toegelaten, maar dat gewaakt wordt voor de belangen van eerste ontginners. Het in kultuur brengen toch van woeste gronden is, of het slage of niet, een baat voor de regeering, terwijl het voor de ondernemers altijd veel risico oplevert. De bezwaren, die deze laatsten op hun weg ontmoeten, geven hun recht op zekere bescherming van Regeeringswege tegen de mogelijkheid, dat die bezwaren nog vermeerderd worden door het toelaten van konkurrenten vlak naast het perceel, dat zij nog bezig zijn, ook ten bate van het Gouvernement, te herscheppen in eene productieve en belastbare onderneming. Elk ondernemer ziet dan ook in het gesloten huurkontrakt eene soort van concessie, en dat karakter moet bewaard blijven, daar anders het zoo onmisbare kapitaal niet zal zijn te vinden of zich terug zal trekken.
Buitendien er is meer, waarom het wenschelijk is eene zekere strook vrij terrein rondom elke nieuw begonnen onderneming te behouden. Het opkomen van eene partikuliere onderneming in een vroeger woeste en wilde streek is dikwijls voldoende om die streek over een veel grooter uitgestrektheid dan waarover de ondernemer beschikt, tot ontginning te doen komen. De bevolking zelf nl. gaat aan het ontginnen, en nu is het voor den ondernemer van zeer veel belang, dat haar daartoe de gelegenheid geschonken worde niet alleen, maar dat de noodige woeste grond aanwezig is, waarop die bevolking zich kunne uitbreiden. Nu zijn wel niet alle gronden daarvoor geschikt, masr juist de naast de onderneming liggende terreinen zijn het aangewezen gebied, waar binnen deze zich moet uitbreiden. Gelegenheid daartoe is eene levensvoorwaarde voor de meeste ondernemingen, en de meeste huurders hebben bij het aangaan der huurkontrakten er op gerekend, dat hun later zonder bezwaar die aangrenzende terreinen zullen worden afgestaan, die voor de eigen ontginningen der bevolking blijken zullen niet bruikbaar of niet noodig te zijn.
Er is geen reden, om niet aan het denkbeeld van concessie te blijven vasthouden. Het zou iets anders zijn wanneer er gebrek ware aan gronden, maar nu er nog zooveel duizenden bouws braak liggen, schijnt hij, die het eerst de zaak aandurft, ook recht te hebben op bescherming en ondersteuning van de regeering.
De kwestie van de uitgifte van woeste gronden op de buitenbezittingen moet geregeld worden in overeenstemming met de hoofdbeginselen van het kon. besl. van 20 Julij 1870. Ontneemt men nu aan het afstaan van woeste gronden het karakter van concessie, dan zal er van ontginning op de buitenbezittingen wel niets komen. Aanmoediging en zedelijke ondersteuning door de regeering van de eerste ontginners zijn vooralsnog bepaald noodig.
Anders handelende zou men ook in strijd komen met de duidelijke bedoelingen van den wetgever. Deze toch heeft bepaald, dat geene ondernemingen van partikulieren zullen worden toegelaten binnen een zekeren afstand van de Gouvernements aanplantingen. Is het nu billijk hiervan aftewijken, wanneer het partikuliere aanplantingen betreft? Is dat niet meten met twee maten, en eene transaktie met beginselen?
Wel heeft de kamer van koophandel zich indertijd sterk verzet tegen de bepaling, dat rondom elken Gouvernements-koffietuin een kring zou worden getrokken, waarbinnen niemand zou worden toegelaten, en waardoor dus groote uitgestrektheden grond tot langdurige onvruchtbaarheid zullen worden gedoemd. Voor dit laatste behoeft echter in dit geval geen vrees te bestaan, gelijk boven is aangetoond.
Echter moet voorkomen worden, dat door onverschilligheid of gemakzucht van den eersten ontginner de bedoelde gronden langer dan noodig is, onbenut blijven. Daarom zou zeer gevoegelijk kunnen worden bepaald, dat als ze niet binnen vijf of tien jaren na de sluiting der eerste overeenkomst tot uitbreiding zijn aangevraagd, de Regeering zelf ze bij wijze van uitbesteding zal kunnen aanbieden.
Op deze wijze worden de belangen van den eersten ontginner behoorlijk beschermd, terwijl de vrije mededinging niet voor goed wordt uitgesloten.
Mengelwerk.
JOHN STUART MILL.
De Autobiographie door dezen beroemden economist nagelaten, werpt een zoo eigenaardig licht op zijn geheelen persoon, dat het wel de moeite waard is daarvan een kort overzicht te geven. Vooral zou zij als voorbeeld, al is het dan ook niet een navolgenswaardig, kunnen dienen van wat een opvoeding kan uitwerken, en wat een vader voor zijn kinderen zijn kan.
Mill’s vader, voornamelijk bekend door zijne geschiedenis van Indië, was een zeer streng man, die zijn groot gezin met zijn pen moest onderhouden, en daarom ook zelf al zijn kinderen onderwees. De vreugde van het leven kende hij niet: daarom negeerde hij haar bestaan eenvoudig met stoïcijnsche kalmte, terwijl hij toch aan den anderen kant goed en kwaad afmat al naar de gevolgen eener handeling aangenaam of onaangenaam waren. Voor hartstocht gevoelde hij niet anders dan verachting, en iemand, die eene slechte zaak met passie voorstond, rekende hij dieper gevallen dan iemand, die het eenvoudig uit eigenbelang deed.
Veel teederheid of betoon van liefde kon men van hem moeielijk verwachten, en zijn kinderen heben daarvan ook niet veel genoten, maar hun denkvermogen werd eigenaardig door hem gescherpt; nooit mocht het leeren bloot geheugenwerk zijn. Bij zijn zoon John heeft hij veel genoegen gehad van zijn opvoedingssysteem, wat trouwens niets voor dit laatste bewijst, want de jongen was blijkbaar een wonderkind. Op zijn derde jaar begon hij Grieksch te leeren, waaruit men haast zou moeten opmaken, dat hij in zijn wieg al Engelsch kende), op zijn achtste had hij de Grieksche schrijvers ongeveer doorgewerkt, en op zijn twaalfde hetzelfde kunststuk met de Latijnsche verricht. Ondertusschen deed hij zeer veel aan geschiedenis en mathesis, schreef op zijn elfde jaar een geschiedenis van het staatswezen bij de Romeinen, iets later een vervolg op de Ilias en gaf ondertusschen aan al zijn broêrs en zusters les. Op zijn twaalfde jaar begon hij aan de filosofie, en toen hij Aristoteles en Hobbes zoo ongeveer onder de knie had, ook aan de staathuishoudkunde. Al die resultaten wijt hij dank aan de opvoedingsmethode van zijn vader; want, zegt hij, ik was maar middelmatig begaafd, eer beneden dan boven het gewone.
Jeugd kan men niet zeggen, dat Mill ooit gehad heeft, kinderspelen kende hij alleen bij naam, met jongelui van zijn leeftijd ging hij bijna niet om, altijd wandelde hij met zijn vader en hun gesprekken hadden altijd filosofische, politieke of logische kwesties tot onderwerp. Natuurlijk leed zijn gevoel onder die uitspattingen van zijn verstand, en het is geen wonder, dat hij, zooals hij zelf bekent, voor zijn vader nooit iets anders dan achting heeft gehad. Van zijne moeder spreekt hij in het geheel niet. Liefde voor broers en zusters schijnt hij ook niet gehad te hebben: hij noemt hen alleen om te zeggen, dat hij hun onderwijs gaf om de zorgen van zijn vader te verlichten.
De gevolgen van dit treurig bestaan bleven niet uit; op zijn 20ste jaar vertoonde zich bij hem een doorgaande zenuwachtige gedruktheid. „Dikwijls,” schrijft hij daarvan, „deed ik mij zelf de vraag: „Gesteld, dat al uw wenschen vervuld werden, alles werkelijk zoo was ingesteld en ingericht, als gij het verlangt, zoudt gij dan gelukkig zijn?” En onweêrstaanbaar antwoordde mijn eigen ik: „Neen.” Dan klopte mijn hart flaauwer, en de fundamenten, waarop ik mijn leven bouwde, stortten ineen. Mijn leven scheen mij doelloos.” Te vergeefs zocht hij troost in zijn boeken. Aan iemand anders zijn leed meêdeelen, durfde hij niet, zooals hij beweert, omdat hij zijn smart niet voor interessant genoeg hield om daar anderen meê lastig te vallen, maar werkelijk omdat hij niemand lief had, omdat hij geen vertrouwden vriend bezat. Allerminst wilde hij zijn vader deelgenoot maken van zijn lijden, omdat „deze mijn toestand niet zou begrijpen, en als hij hem al begreep, toch niet de ware heelmeester was.” Ook wilde hij hem de krenkende overtuiging sparen, dat zijn opvoedingssysteem zulke treurige resultaten had opgeleverd. Marmontel’s mémoires en Wordsworth’s gedichten verschaften hem eenige rust en hielden hem terug van zelfmoord, die hem anders noodzakelijk voorkwam.
Later heeft Mill zijn best gedaan om die groote fout in zijne opvoeding te neutraliseeren, hij heeft omgang gezocht en gevonden met de groote vernuften van zijn tijd en Carlyle is zelfs een tijd lang een boezemvriend van hem geweest. Ook van zijne vrouw heeft hij ontzettend veel gehouden, maar wat men gewoonlijk onder huwelijksliefde verstaat, heeft hij toch niet gekend. In zijn vrouw waardeerde bij het meest, dat haar geest gelijken tred hield met den zijnen. Zij heeft hem in zijn schrijven veel geholpen. De helft van On liberty is van hare hand en in zijn Political economy heeft zij verscheidene stukken geschreven. Mill zelf zegt van alles, wat hij na zijn huwelijk heeft gemaakt: „Wanneer twee personen denzelfden gedachtengang hebben, wanneer alle gewichtige belangen van verstandelijken en zedelijken aard dagelijks door hen worden besproken, wanneer zij van dezelfde beginselen uitgaan, en tot hetzelfde resultaat komen, dan doet het er weinig toe, wie de pen hanteert, hun werken zijn hun gemeenschappelijke schepping, en het is dikwijls onmogelijk beider eigendom van elkaar te onderscheiden.”
Naar die voortreffelijke echtgenoote, voor wie men even goed een medewerker kan in de plaats stellen, heeft Mill blijkbaar alle vrouwen beoordeeld, toen hij zijn On the subjection of women schreef. Voor haar vooral betreurde hij het, dat aan de vrouw niet dezelfde werkkring openstaat als aan den nan. „Met haar gevoel en hare verbeeldingskracht,” schrijft hij, „zou zij een volmaakt kunstenaar, met haar vurigen geest en krachtige welsprekendheid een groot redenaar en met haar diepe kennis van de menschelijke natuur en haar juist inzicht in het praktische leven een groot staatsman zijn geworden, als die loopbaan voor vrouwen openstond.” Gelukkig, dat niet alle vrouwen zoo zijn!
Over godsdienstig geloof laat Mill zich aldus uit: „In religiezaken schijnt mij de tijd te zijn aangebroken, waarin het de plicht is van alle menschen, die door hun naam of hooge positie uitblinken, om hun ongeloof aan de heerschende, en als verkeerd erkende godsdienstige meeningen openlijk te belijden. Zulk eene bekentenis zou voorgoed een einde maken aan het gewone vooroordeel, dat zulk een ongeloof noodzakelijk gepaard gaat met zedelijke slechtheid. De wereld zou verbaasd staan als zij zag, dat de meesten van hen, die zij als sieraden van wijsheid en deugd vereert, volslagen twijfelaars zijn op godsdienstig gebied, en zich alleen van eene openlijke bekentenis laten afhouden door de naar mijne meening ongegronde vrees, dat loslaten van godsdienstig geloof ook een loslaten van andere banden zou ten gevolge hebben.” Dat had hij van zijn vader, en met recht kon hij zeggen: „ik ben een van de weinige voorbeelden in dit land van lui, die niet zoozeer het geloof hebben laten varen, als wel het nooit hebben gehad.”
Nederlandsch Indië.
De Neva is heden morgen 6 uur van Singapore vertrokken.
Morgen zullen met de Sloet van de Beele weêr 300 man troepen en 150 dwangarbeiders naar Atchin vertrekken. De boot is buitendien vol lading.
Het volgende ontleenen wij uit een brief, alhier van Atchin ontvangen:
„Op Batavia gelooft men, hoor ik, dat deze expeditie begonnen is als zoovele vroegere. Maar dan heeft men het mis. Alles is wel overlegd en doordacht, en terwijl wij op de reede van Atchin ten anker hebben gelegen, is alles goed opgenomen en verkend, waardoor wij al spoedig de overtuiging kregen dat wij eene moeielijke taak voor ons hadden.
De vijand heeft in het denkbeeld verkeerd, dat, daar onze marine op dezelfde plaats ten anker was gekomen, als tijdens de eerste expeditie, wij ook nu daar eene landing zouden beproeven waarom hij daar zijn strijdkrachten geconcentreerd had.
Die goede Atchinezen hadden buiten den waard gerekend; plotseling kwam ’s nachts ten 12 uren bevel, om heel stil de ankers te lichten en onder stoom te gaan ..... Behalve het voordeel van eene gelukkige landing, hebben wij er ook dit meê behaald, dat wij al onze bewegingen in de vijandelijke flank konden uitvoeren, en in het front door onze dappere marine ondersteund werden ..... Aan de marine hebben wij oneindig veel te danken ....
Heden, den 5den Januarij, zijn wij vier weken aan wal, wij staan hier sedert 14 dagen aan de rivier van Atchin vis-à-vis de Missighit en den Kraton, maar wij hebben den laatste nog niet gezien: toch hebben wij zooveel gewonnen, dat wij de loopgraven kunnen openen en dat de batterijen gereed zijn. Bij het bouwen van de laatsten heeft men ouder gewoonte weêr vergeten een kruitmagazijn aanteleggen.
Morgen zullen drie bataillons de kali overtrekken en de Missighit nemen, in welken tijd de artillerie door haar vuur eene bestorming op den Kraton zal voorbereiden; hiervoor is de 2de brigade bestemd, en dus zou mijn gelukster morgen kunnen opgaan.
De Atchinezen schieten goed; naauwelijks was onze batterij gereed, of er viel onder meer één schot binnen, dat één officier en 8 man buiten gevecht stelde.
Onder het schrijven dezes komt de order om morgen ochtend ten 5 uur tot een algemeenen aanval gereed te zijn, waarom ik dezen sluit.
Den 7den; ’s morgens. De post van eergisteren is tot heden uitgesteld en ik kan dus nog wat van het gevecht vertellen. Ofschoon wij allen gekommandeerd waren, zijn volgens eene latere contra-order alleen die troepen gegaan, die gedurende de eerste expeditie kennis met Atchin hebben gemaakt. De kolonel de Roy is met drie halve bataillons en eenige batterijen, des morgens te 4 ure met praauwen over de rivier gezet, omdat de door de genie gebouwde brug door den bandjir was weggeslagen (men is al aan een meer soliede brug begonnen) en moest langs de rivier marcheeren en de Missighit trachten te nemen; deze is in het front door kleine bentengs en andere verdedigingswerken ten sterkste bevestigd. Om kwart voor zeven uur begon het bombardement van onzen kant, dat beantwoord werd door een zeer hevig geweervuur, dat eenige uren aanhield; tegen 10 uur was de Missighit in ons bezit. De troepen moeten uitmuntend gevochten hebben.
De kavallerie met een half derde bataillon was gedurig voorop; de Roy met uitgetrokken sabel met zijn staf aan het hoofd, heeft zijn troepen onder een hevigen kogelregen, onder het roepen vau „tamboer battant! leve de koning! leve het vaderland” met een daverend hoerah en luide hoornmuziek in de vijandelijke positie gevoerd, die wat sterkte en uitgebreidheid aangaat, in den nieuweren tijd haars gelijke zoekt.
De Roy, ofschom aan den voet gewond, bleef in ’t gevecht tot in den namiddag, toen hij zich moest doen vervangen ..... De in gevecht zijnde troepen werden ’s namiddags door versche afgelost, en terugkomende defileerden zij met een hoerah! voor het hoofdkwartier, waar Z. E. de generaal van Swieten hen met betraande oogen begroette. Ook bij deze gelegenheid werd de kavallerie weêr bijzonder door hem onderscheiden ..... De door de Atchinezen aangelegde versterkingen zijn zeer soliede, o. a. hebben zij onderaardsche gangen aangelegd, bezet met bamboedoeri en randjoes, om zich voor onze granaten te dekken.”
Eene dame hier ter stede is gisteren avond aan een groot ongeluk ontsnapt, door dat het rijtuig, waarin zij gezeten was, zoodanig met een ander rijtuig in botsing kwam, dat het eerstbedoelde bijna geheel versplinterde. Het gebeurde viel voor op den weg naar Tanah-Abang en alleen door de tegenwoordigheid van geest der dame, die een oogenblik voor de schok ijlings haar rijtuig verliet, ontsnapte zij aan het gevaar.
In een officierswoning alhier is dezer dagen op klaarlichten dag een brutale diefstal gepleegd van goederen en preciosa, ter gezamenlijke waarde van circa ƒ 300. Terwijl de bewoner van het huis naar Atchin is vertrokken en de bewaking was toevertrouwd aan eene vrouwelijke bediende, kreeg zij, in het achterhuis bezig zijnde, eensklaps bericht, dat men iemand met spoed het huis had zien verlaten en bleek het weldra, dat de dief zelfs niet geschroomd had braak te plegen, daar mee een paar kasten opengebroken vond.
Gisteren namiddag heeft de inlandsche kommandant van het 3de distrikt alhier, de bekende Radja Boerha Noedin, eene aanhaling gedaan van 14 thails clandestine opium ten huize van een Chinees op Manga Besar. Na veel zoeken vond hij de bovengenoemde hoeveelheid amfioen in een trommel, verborgen onder den wortel van een pisangboom, in de onmiddelijke nabijheid van het huis van den Chinees, die natuurlijk alle schuld aan het verstoppen ontkent.
Een inlander alhier kwam eergisteren tot de treurige ontdekking, dat men hem des nachts een karbouw uit zijn kraal had ontstolen en wel de beste van zijn kudde. Bij den wijkmeester zijner kampong van het gebeurde aangifte gedaan zijnde, noodigde deze den bestolene uit van den diefstal tegen niemand iets te reppen en met hem op weg te gaan om het gestolen dier zoo mogelijk op te sporen. Het mocht hun dan ook gelukken in eene naburige kampong en wel bij een slager den vermisten karbouw terug te vinden, die echter, helaas! reeds geslacht was. De bestolene kwam toen op den vernuftigen inval den slager te verzoeken hem de huid van het dier te verkoopen, waaraan deze voldeed, en zoo had men onmiddelijk een bewijs van den diefstal tegen den slager in handen, daar de karbouw bij zijn leven door den toenmaligen eigenaar met een zeker teeken op de huid was gemerkt.
In een djagongveld van kampong Doeri werd in den laatsten tijd herhaaldelijk djagong gestolen, dat eindelijk den eigenaar verdroot en waarom hij besloot eens wacht te houden om den dief te kunnen ontdekken. Eergisteren tegen den avond, tusschen de djagong-stoelen neergedoken, duurde het niet lang of hij ontdekte werkelijk iemand, die een begin maakte met het afsnijden der vruchten. Hij greep den brutalen dief aan, maar deze verdedigde zich woedend en sloeg zijn aanrander zoodanig met een stuk hout op armen en handen, dat hij door de hem toegebrachte kneuzingen wel genoodzaakt was den dief los te laten, die het ditmaal ontkwam.
De Javasche Courant van gisteren houdt o. a. in:
a. Een besluit van den Gouverneur-Generaal, dd. 21 dezer, no. 6, Staatsblad no. 25, waarbij wordt bepaald, dat de afdeeling Tanah-Laut voortaan een deel uitmaakt van de afdeeling Martapoera.
b. Een vervolg van het verslag der verrichtingen door de zeemacht in de wateren van Atchin.
c. Verslag der kommissie, in Nederland belast geweest met het afnemen van het groot ambtenaarsexamen.
PROGRAMMA der STAF-MUZIEK.
| 1. | Lager-Marsch | F. Philipp. |
| 2. | Ouverture zu Egmont | L. v. Beethoven. |
| 3. | Lied: Duett | F. Mendelssohn. |
| 4. | Traumbilder, Fantaisie | H. C. Lumbye. |
| 5. | Uber Land und Meer, Walzer | T. F. Makkus. |
| 6. | Entre-Nous, Quadrille | Carl Faust. |
| 7. | Potpourri de l’opéra La Bohémienne de W. Balfe | A. J. Clement. |
| 8. | Marche Triomphale de l’opéra Hamlet | Ambr. Thomas. |
Verkoop van Gouvernements wissels op het Ministerie van Koloniën.
De direkteur van Financien brengt ter kennis van belanghebbenden, dat de verkoop van Gouvernements wissels op het Departement van Koloniën voortaan zal plaats hebben volgens de voorwaarden, opgenomen in de Javasche Courant van den 20sten Maart 1873, no 23, met uitzondering van de vier laatste alinea’s, waarvoor in de plaats komt het volgende:
Voor Batavia wordt het bedrag binnen tweemaal vier-en-twintig uren na ontvangst dier mededeeling afgedragen aan de direktie der Javasche Bank, die na afloop van elke inschrijving den uitslag daarvan mededeelt aan den direkteur van Financien, onder bijvoeging eener opgave van de appoints, welke door de inschrijvers verlangd worden.
De wissels worden bij het departement van Financien gereed gemaakt en binnen vier-en-twintig uren ter uitreiking aan de rechthebbenden aan de Javasche Bank gezonden.
De direktie der Javasche Bank geeft voor de ontvangen wissels een voorloopig reçu af, dat bij de overbrenging der voor de wissels ontvangen gelden bij ’s lands kas, hetgeen binnen vijf dagen na afloop der inschrijving geschiedt, wordt teruggegeven.
De wissels voor plaatsen buiten Batavia worden binnen vier-en-twintig uren, na ontvangst der kennisgave van de hoofden van gewestelijk bestuur dat het daarvoor verschuldigd bedrag in ’s lands kas is gestort, aan dezen ter uitreiking toegezonden.
Die in kas-storting moet plaats hebben binnen tweemaal vier-en-twintig uren, nadat de mededeeling van het toegewezen bedrag ter kennis aan den betrokkene is gebracht.
Indien de nemers buiten Batavia evenwel ter gelegenheid der storting hun verlangen daartoe hebben kenbaar gemaakt, worden de voor hen bestemde wissels te Batavia aan door hen speciaal aangenomen personen of handelslichamen afgegeven.
Bij gebreke van betaling binnen den bepaalden tijd, wordt de toewijzing der aangevraagde wissels ingetrokken, terwijl de betrokken aanvragers later niet meer tot mededinging worden toegelaten dan na de storting van het bedrag der wissels, waarvoor door hen wordt ingeschreven.