Naar inhoud springen

Pagina:Belgisch Staatsblad, Gecoordineerde Grondwet van 17 februari 1994.pdf/17

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

4069

§ 2. Elke kieskring telt zoveel keren een zetel als de federale deler in het cijfer van de bevolking van de kieskring begrepen is. De federale deler wordt verkregen door het bevolkingscijfer van het Rijk te delen door honderdvijftig.

De overblijvende zetels worden toegewezen aan de kieskringen met het grootste nog niet vertegenwoordigde bevolkingsoverschot.

§ 3. De indeling van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers over de kieskringen wordt door de Koning bepaald in verhouding tot de bevolking.

Het cijfer van de bevolking van elke kieskring wordt om de tien jaar vastgesteld door een volkstelling of door enig ander middel, bepaald door de wet. De Koning maakt binnen een termijn van zes maanden de uitslagen bekend.

Binnen een termijn van drie maanden na die bekendmaking bepaalt de Koning het aantal zetels dat aan iedere kieskring toekomt.

De nieuwe indeling wordt toegepast vanaf de eerstvolgende algemene verkiezingen.

§ 4. De wet bepaalt de kieskringen; zij bepaalt eveneens de voorwaarden waaraan men moet voldoen om kiezer te zijn, alsmede het verloop van de kiesverrichtingen.


Art. 64.

Om verkiesbaar te zijn moet men:

1° Belg zijn;

2° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;

3° de volle leeftijd van achttien jaar hebben bereikt;

4° zijn woonplaats hebben in België.

Geen andere voorwaarde tot verkiesbaarheid kan worden vereist.