Deze leden worden benoemd door de senatoren die met toepassing van 1° en 2° zijn gekozen.
De verkiezing van de senatoren te kiezen met toepassing van 2° en 3° geschiedt volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld.
Wanneer een senator die door de provincieraad van Brabant werd gekozen, na 31 december 1994 moet worden vervangen, kiest de Senaat een lid met inachtneming van de voorwaarden die in de wet worden vastgelegd. Voor deze wet zijn de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat gelijkelijk bevoegd.
e) Om tot senator gekozen te kunnen worden moet men, onverminderd artikel 69, 1°, 2° en 4°, de volle leeftijd van veertig jaar hebben bereikt.
f) De senatoren worden gekozen voor vier jaar.
g) De ministers zijn in de ene of de andere Kamer alleen stemgerechtigd indien zij er lid van zijn.
Zij hebben zitting in elke Kamer en het woord moet hun worden verleend wanneer zij het vragen.
De Kamers kunnen de aanwezigheid van de ministers vorderen.
h) De Koning kan aan een door het Hof van Cassatie veroordeeld minister of lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering geen genade verlenen dan op verzoek van een van beide Kamers of de betrokken Raad.
i) De raadsheren in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door de Senaat, de andere door het Hof van Cassatie voorgelegd.
j) Elk jaar wordt door de Kamers de eindrekening vastgesteld en de begroting goedgekeurd.