Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/236

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

dat sijn Majt. hoffsgrooten daar alle stonden, maar dat het waren redenloose menschen, ende sijn Majt. toonde tienmael meer lieffde tot sijn getrouwe Hollanders als tot sijn eygen natie. Oock seyde den Keyser alleen te wesen ende dat al op sijn jaren was, maar dat hij God tot getuyge nam, dat niemand anders na sijn doot sijn rijck soude gouverneren ende regeren als sijn getrouwe Hollanders ende dat om reden ende oorsaeck, die den Keyser soo langh als hij haar gekent hadde op sijn keyserrijck daartoe gepermoveert hebben.[1] Na dese woorden wiert mij een goude ketting geschoncken van sijn Majt., dewelcke met danckbaerheyt en beleefftheyt hebbe g'accepteert, ende cort daar aan belaste den Keyser nogh te vertolcken, dat ick 't geluck en fortuyn selver was ende niemand op sijn keyserrijck geluckiger als ick. Ook most ick weten dat niet soude tardeeren, gel. andere, maar soude nogh alle d'Ambassadeurs die daer soo langh geresideert hadden, neffens mijn met haar eygen vrijewille affsenden, op dat sijn Edt. door de selve des te sekerder en opregtiger van alles soude kennisse gedaan ende gerapporteert worden, om door geen valsche rapporten meer g'abuseert te werden. Den Keyser seyde oock seker te weten, dat niet met sijn getrouwe Hollanders tot een eeuwige vreede soude geraecken, maar dat het van dese uyr aff aan sodanige een vreede op sijn keyserrijck was, en God wilde niet anders dan soude altijt continueren.[2] Ende wanneer de derdemaal verscheen voor sijn Majt. soo waren sijn Majts. hooge en lage officieren een groot getal binnen, en sij alle bragten haar tribuyt op en betoonde sijn Majt. seer groot respect en eere, ende doen ter tijt seyde sijn Majt. dat d'oorsaack van mijn toeven was geweest sijn keyserl. nieuwe jaar, maar dat niet langer soude toeven ende mijn affscheyt in't cort becomen, gelijck te vooren geordineert was, en daarenboven soude den Keyser, gelijck hij seyde, een costelijck gesteente schencken aan de Heeren Majores in 't vaderland, dewelcke soo costelijck ende van soo grooten waarde was, dat met geen coninckrijck conde betaalt worden, ende nogh eenige steentjes voor

  1. Dit was onwaar, maar dat Raja Singha geen opvolging had werd door Van Goens richting Batavia gebruikt als argument dat na zijn dood de VOC zijn rijk zou erven, zoals de Portugezen het rijk van Kote hadden geerfd. Dat Raja Singha wel degelijk een zoon had kwam na zijn dood voor de VOC als een verrassing.
  2. Een eeuwige vrede zou het niet worden, maar het was goed zoals het was.