Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/238

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

oock niets en hadde gemancqueert, waar over soude danckbaar sijn en blijven, ja dat sijn Majt. van alles trouwlijck en opregt gerapporteert hadde, ende dit d'eenige poinct van manquement was, te weten, dat sijn Majt. onse gevangens en Ambassadeurs te samen costeloos ende schadeloos gelieve aff te senden, gelijck sijn Edt. is versoeckende ofte eysschende, waar op den Keyser mij liet vragen, wat wegh ick wilde wederkeeren na Colombo, en ick antwoorde, den Keyser sijn wille en ordre geschiede, ende aenstonts in mijn presentie ordineerde sijn Majt. een dienaar van sijn keyserl. hoff om oles te schrijven ende aff te senden, op dat de wegen soude gebaant en logementen gemaact werden, waar heen ick met de keyserlijcke ordre ende onse gevangens en geschencken soude wederkeeren. Eyndelijck vertrock na mijn logement. Soo dra was niet binnen gecomen ofte wiert mij door sijn Majt. met groote eer een pack toegesonden, in't welcke verscheyde linnen cleden[1] ende andere dingen waren, als volgens d'ole sal blijcken, het welck ick selver met dancbaerheyt hebbe op mijn hooft genoomen ende na binnen gedragen, toonende hier mede hoe hoogh sijn Majts. geschenck bij mij in estime genomen ende met wat nedrigheyt 'tselve bij mij g'accepteert wierde. Wanneer de vijffde maal voor den Keyser compareerde, seyde dat alles claar was, ende hadden binnen sijn keyserlijck hoff niet anders gedaan dan waren besigh geweest twee dagen om het rapport te schrijven, dat neffens mijn met de gevangens en Ambassadeurs soude aan sijn Edt. gaan, en ick seker soude vertrecken binnen twee a drie dagen na Colombo; oock niet anders behoeffde te dencken dan off daar al waar met alle onse gevangens ende Ambassadeurs. En ter selver uyre wiert mij een houwer geschoncken van sijn Majt., dewelcke ick ter eeren van sijn Majt. ende ten dienste van d'e. Comp. hebbe aangeveert met eerbiedige reverentie, ende deselve haastelijck uyttreckende, riepen op 't Cingalees met groote verbaastheyt, den Keyser ende sijn Adigaars: Wij willen soo niet, wij willen soo niet,[2] dogh een weynigh daar na seyde den Keyser, datter twee van de opperste hoffs-

  1. Van Bijstervelt krijgt Singalese kleding van de Keizer.
  2. Een zwaard trekken in het bijzijn van de Keizer is niet toegestaan.