Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/239

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

grooten present waren, voor dewelcke ick niet behoeffde bevreest te sijn ende soo bevreest mogt wesen, gaff den Keyser mijn keur en wens, en seyde: Siet daar drie van u eygen natie, neempt die gij acht de trouwste te wesen int vertolcken, soo u ytwes in't secreet mogte belast wesen. Com fiat, seyde den Keyser, laat ons onvertsaagt treden na mijn keyserlijcke binnecamer, seggende genegentheyt te hebben om met mij den heelen nagt te discoureren, waarvoor sijn Majt. bedankte en mijn persoon excuseerde, dat niet meer conde bekent maecken dan gelijck te vooren sijn Majt. trouw en opregt van alles gerapporteert hadde, waarop sijn Majt. vervolgde ende bekende, dat niemand ter wereld soo opregt notificatie gedaan hadde aan sijn Majt. als door mijn persoon geschiet was, ja oock soo wel accordeerde met de jnhoude der brieven in alles, off ick sijn Majt. deselve voorlas. Na welcke gehoudene samenspraack weder vertrock na mijn logement met blijdschap, maar sijn hoffsgrooten hebbe altijt vrouwen volck en wijn gewilt dat ick soude gebruycken, ja van dagh tot dagh dese twee listige laagen soecken te leggen,[1] dogh hebbe om mijn vrijheyt en levens halve altijt gerefuseert ende tegen gestaan. Echter deselve hoffsgrooten hebben wijn gebragt tegen mijn wil en danck, ende seer biddende en versoeckende, dat de gesontheyt soude drincken vanden Keyser en den edle. Heer Gouverneur Admirael, soo hebbe mijn lascs. belast de wijn uyt de flesse te gieten in een gorgelet en weder laten opvullen met water, maar om de stinckende reuck des wijns te behouden hadde de fles ende mijn handen met deselve wijn bestreecken ende bestortet van buyten, om dat sij niet gewaar souden worden mijn bedrogh. Eyndelijk mijn lascs. g'jnformeert hebbende, begoste de gesontheden van den Keyser en sijn Edt. te drincken ende dat niet wijnigh met het water, dat de dijcken can doorbreecken ende huysen wegh spoelen, dogh te vergeeffs de hoffsgrooten tot den dranck en vrouwen mijn aangeport hadden, alsoo ick veynsde soo droncken te wesen, dat nauwlijcx conde staan; maar mijn tongh God de Heer soo wel dirigeerde ten respecten van den Keyser en

  1. In de hoop dat Van Bijstervelt zich zou misdragen en de woede van de Keizer opwekken.