mijnwaerts gecomen 15 a 16 hoffsgrooten in't midde van den nagt met een doode, vuyle en seer stinckende elant, 't welck de voorsz. hoffsgrooten in maniere als volgt mijn aen presenteerden, seggende: Wij heeren hoffsgrooten sijn tot u door ordre van sijn Majt. gecomen om een eland te schencken, ende dat ter dier cause om dat den Keyser altijt seer verheugt is geweest over de brieven, en u persoon en oock alle de Hollanders sodanig g'affectioneert was, dat niet conde nalaten, ofte most ter eeren van d'ed. Comp. van dagh tot dagh meer en meer schenckagien schencken, ende dat den Keyser aan den Ambassadeur Draack zaliger oock soo een beest hadde geschoncken, waar op antwoorden en bekende, hoewel een particulier persoon waar, de grootste eere van sijn Majt. hadde genooten, waar voor verpligt waar dancbaerheyt te betoonen. Doen belaste de hoffsgrooten den eland binnen te brengen, gelijck geschiede. Daerenboven soo haast hadde de brengers van het doode beest het linnen niet affgetrocken ofte liepen wegh sonder haar affscheyt te nemen, behalven twee, die bleeven staan om te aanhooren mijne woorden en te aanschouwen mijn beleeftheyt en danckbaerheyt, die ontrent den Keyser voor sodanig geschenck betoonde, waar over die twee haar ten hoogste admireerde en verheugden, soo sij selver seyden en betoonden, dat sij souden en mosten sijn Majt. door een ander ofte selver bekent maecken, waar op sij mede vertrocken. Ende ick wilde haar een weynigh tot buyten de deur convoyeere, 't welck sij refuseerden, sulcx ick aanstont mijn affscheyt nam, ende trad na het stinckende beest en liet de lascs. vande wagt roepen om 't selve te villen, gelijck gedaan wiert, en na gedane villinge hebbe selver de vier voeten genoomen en inde selve nagt aan de opperste, die de wacht rondtom mijn logement hadden omgedeelt, namentlijck een Oedepalate Dessave, een Tompine Raterale, een Oedenoere Rale, een Jadenoere Rale en Haccrougammene Rale, haar dusdanig aanspreeckende: Gij lieden, dewijl de wagt soo lang rontom mijn huys gehad hebt ter eeren van d' e. Comp. en mijn persoon, soo can niet ofte moet u lieden nootsakelijck van
Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/241
Uiterlijk