't keyserlijck geschenk mede deelen en dienthalven versogt ick, om dat sodanig geschenck ter eeren van sijn Majt. geaccepteert hadde, dat sij het selvige dogh souden aennemen ende ter eeren van sijn Majt, en op sijn gesontheyt eeten, 't welcke sij uyt den slaap oprijsende ontfongen en hielden den gehelen nagt raad tot dat den dagh was aangecomen, en doen lieten deselve hoffsgrooten het selve vlees cappen en parten aan haer lascs., maar ick hielt voor mij selven de tong en het hert, en seyde tegen de hoffsgrooten, dat den Keyser sijn tongh ende hert altijt waarachtig en opregt voor sijn getrouwe Hollanders was, en ick het selve ten dien fine op de gesontheyt van den Keyser soude nuttigen, 'twelcq sijn Majts. bewachthebbers aanstonts den Keyser door seker hooveling, die mij dagelijcx door ordre des Keysers de cost toebragt, lieten bekent maecken. Ten dien tijde seyde ick, dat verblijd was ende met een oock haastelijck soude affgesonden worden, waar op de wagthebbers tot antwoord gaven, dat mijn vertreck seker en nabij was ende mijn van uyr tot uyr most gereet houden, alsoo niet anders manqueerde als sijn Majts. ordre, edogh hebbe altijt een vroylijck ende vrindelijck gelaet getoont. Ende na dat eenige weecken gewagt hadde, versogt weer jnstantelijck om voor den Keyser te compareren, 't welck mij door veele boodschappers ende met duysent duysenden van leugenen belooft wierde van dagh tot dagh, maar een wijl tijts na gedane bootschappen ende leugenen ben door mijn dickwils versoecken ontrent drie maanden na het geschenck van 't stinckende beest op een ander plaats in't selve hof voor den Keyser gecompareert, welcke plaats onwinbaar scheen, en volcomen defensijff om met sijn wijnige lijffwacht de jnwoonders bijna alle van sijn geheele rijck te resisteren, maar hadde omgordet sijn keyserlijcke lenden met een groot en swaer sweert, overal gemonteert met goud sijnde, ende in sijn rechterhand hadde een cleene bardasaan end' aen deselve cant stonden twee curieuse veltstuckjes raer bearbeyt, ende aande linckerhand ende achter de rugh des Keysers was veel Cingalees geweer, als pijl ende
Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/242
Uiterlijk