min soo heeft mijn met alle de gesondene bootschappers laten roepen als boven verhaelt, drie en een halff weeck na den gesetten dagh, wanneer ick oock mijn brieff moste mede brengen om te toonen, gelijck ick gedaan hebbe. Ende als ick binnen was gecomen hebbe mijn reverentie gedaan, ende na gedane reverentie vraagde den Keyser na mijn gesontheyt, maar als vooren seyde gereet ende gesont om d' e. Comp. en sijn Majt. te dienen, gelijck alle trouwe dienaars schuldig sijn te tragten. Den Keyser hier op antwoorde, dat contentement hadde en verheugt was, ende dat God soude geven aan alle Hollanders goede gesontheyt ofte sodanige dispositie, waar op de hoffsgrooten gesamentlijck riepen in mijn presentie en versogten om te oorlogen met de Hollanders, maar den Keyser seyde sulcx niet te sullen ordineren, ofte en conde niet wesen, om dat sijn getrouwe Hollanders op sijn keyserlijck versoeck waren gecomen op sijn rijck ende dat haer trouwigheyt hem bekent was; wanneer sijn Majt. besig waer geweest in openbaren oorlogh met de Portugesen, de Hollanders alleen waren geweest ende nog protecteurs en beschermers van sijn keyserlijck persoon. Doen gaff ick tot antwoort, dat d' e. Comp. altijt sodanig was omtrent sijn Majt. g'jnclineert geweest, en oock nog om sijn Majts. rijck en leven te versekeren, waer op vorders te gemoet voerde, dat sijn Majt. onse gevangens behoorde te verlossen uyt handen der veraaders, ende dat meer was onse Ambassadeur, portedeurs, het sij wie het sij wierden oock opgehouden, 't welck de grootste schult en disrespect was van de wereld voor sodanige genereuse en wijsen Keyser; oock dat het aanhouden van ons volck niet overeenquam met keyserlijcke affexien ontrent d'ed. Comp., maer dat sulcx volcomentlijck met het affsenden derselve claarlijck soude blijcken, waar op den Keyser seyde, dat ick moste een brieff schrijven na Battecaloa, Jaffaũ, Cotjaer ende die plaatsen aande opperhooffden, dat het peys en vrede was met den Keyser ende sijn trouwe Hollanders, ende als ick commandeerde ofte belaste in den brieff, dat sij mosten afflaten en retireren na haar vorige plaatsen ende fortressen.
Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/246
Uiterlijk