Hij, namentlijck den Keyser, seyde niet te twijffelen, ofte soude sulcx obedieren en gehoorsamen, waar op tot antwoord gaff, dat ick daarom off om sulcx te doen niet was gecomen, maar om sijn Majt. de papieren en brieven te presenteren gelijck geschiet is, ende dat in 't openbaar voor al de wereld; dat d' e. Comp, sijn Majt. niet wilde verlaten, maar genegen was om hem tegens sijne vijanden bij te staan ende om sijn Majt. kennisse te doen, schriftelijck en mondelingh, hoe de schelmen ende verraders onse lantsluyden met haar meynedigheden hebben misleyt ende uyt de pagger gecroont, ende om te hooren hoedanig sijn Majt. mogte geresolveert wesen, met deselve te leven; oock soo den Keyser jn gebreecken blijft, deselve weder costeloos en schadeloos aff te senden, dan d' e. Comp. genootsaact was haar revengie ofte resentiment te soecken te water en te land omtrent die schelmen, die d'ed. Comp. weet daar aan schult te hebben; oock dat d'e. Comp. sijn Majts. rijck in dier gevalle sodanigh soude besetten, dat de verraders en schelmen niet sullen connen ontsluypen ofte vlugten, en dat alles om sijn Majts. rijck en leven des te beter te versekeren. Verders verhaalde ick sijn Majt., dat ick omtrent negen maanden ten dienste van sijn Majt. en d' e. Comp. getardeert hadde, maar in 't eerste nader aan mijn vertreck was als jegenwoordigh soo ick bespeurde, ende seyde, alsoo sijn Majts. hoffsgrooten wilden en versogten te oorlogen, dat sij vrij gaan mogten om te oorlogen, haar versekerende dat sij de trouwe Hollanders van sijn Majt. niet slapende soude vinden, nog met haar verraderijen deselve meer connen misleyden, alsoo sij de schelmstucken die Cingalesen gewent sijn te doen, weeten, waer naar ick versogte ter selver uyr door ordre van sijn Majt. op wat manier sijn Majt. gelieffde afgesonden te worden; soo niet versogt ick ten dienste van d' e. Comp. en ter eeren van sijn Majt. aenstonts mijn leven te enden, alleer ick mijn persoon soude buyten sijn keyserlijck hoff begeven, waar over den Keyser een uyr lang bleeff staan, gelijck beducht en teenemael verbaast, sonder een woort te spreecken, slaande sijn oogen na
Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/247
Uiterlijk