belast was te schrijven aan sijn Edt. voor mijn voeten neer, ende mijn lascs. hebben deselve opgenomen ende 't huyswaerts gedragen. Oock quamender hoffsgrooten des anderen daags mijnwaerts, ende vraagden, waarom ick gisteren de brieff soo wegh gesmeeten hadde, waar op haar antwoorde, dat ick te vooren mijn altijt getroost ende vertrout hadde dat ick selver met sodanige keyserlijcke giften en schenckagien ende alle onse Ambassadeurs en gevangens soude affgesonden worden, als den Keyser met sijn mond belooft hadde, dog dat ick alles niet tegenstaande alleen licentie hadde becomen om aff te gaan, trouwelijck ende opregtelijck soude aan sijn Edt. rapporteren, soo ver ick gehoort ende gesien hadde. 's Morgens daar aan ontrent de middagh, soo verwachte ick den Keyser sijn ordre ende dewijl geen ordre die dagh quam, soo liet ick sijn Majt. door mijn wagt officieren weten, dat gereet was geweest ende nogh om aff te trecken, oock mijn persoon absoluyt daar na reguleerden, soo quaemen deselve officiers mijn omtrent den avond rapporteren ende door ordre des Keysers vraagen, hoe veel coelien van nooden hadde tot mijn bagagie; de monrs. geven soo veel als haer believen, maar sij hoffsgrooten seyde, alwaer 't dat ick der een duysent ofte anderhalff van nooden hadden, soo mancqueerde haar geen, maar conde mijn mede gegeven worden, waar op tot antwoord gaff 7 ofte 8 coelien genoegh te sijn. Wel aan morgen, seyde d' hoffsgrooten, sult gij vertrecken door ordre des Keysers na Colombo, ende gelieft aldaar te rapporteren, gelijck gij gesien hebt hoe te vooren geweest is, ende tegenwoordig watter inde weeg was gecomen, waar op ick de hoffsgrooten antwoorde, dat sulcx seer wel wisten, ende oock schuldig waar de ordre van sijn Majt. trouw ende oprecht aan sijn Edt. bekent te maken. Doen vertrocken de hoffsgrooten, maar ick verlangde weer na de morgen, dewelcke was gecomen, dog het waar deselve leugens, gelijck den heelen tijd soo lang ick boven geweest waar, van haar gehoort hadden. En des anderen daaghs belaste ick weer mijn officiers vande wagt, dat sij sijn Majt. soude notificeren als dat ick nog gereet was,
Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/249
Uiterlijk