Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/250

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

't welck de hoffsgrooten hier boven genoemt hebbe aangenoomen te sullen doen, gelijck sij gedaan hebben, maar gem. hoffsgrooten rapporteerden mijn, datter nogh eenige coelien gebraacken, die gesamelt moste worden, ende morgen soude het seker sijn, datter niets soude ontbreecken. Dese bootschappers vertreckende eerst, quaemen door ordre des Keysers wederom een wijnig daer na, maar waren beschaemt en wouden niet meer liegen. Daerom bragten neffens haar Anthonius d' Orte ende Paulus van Coppenhage, dewelcke betuygden, dat soo van den Keyser gesonden wierden om mijn geselschap te houden, om dat alleen was, ende soo ick niet te vreden was off miscontentement hadde om daer te biijven, dat als morgen sekerlijck sou vertrecken, seggende dese bovengen. twee: Och off God gave, dat wij soo sekerlijck soude affgesonden worden, ende onder 't spreecken deser woorden, barstede de tranen uyt de oogen ende schreyden bitterlijck ende versogten adsistentie van gelt, 't welcq ick haar na vermogen ende volgende ordre van sijn Edt. in presentie vande hoffsgrooten ende mijn lascs. hebbe gegeven, waar voor sij twee gem. d'ed. Comp. en mijn seer beleeffdelijck bedankten. Oock voerde deselve twee persoonen met mij discours, dat den Keyser van den Bergh het hooft hadde laten affhouwen en dat hij van den Bergh in dienst van den Keyser was geweest, in qualiteyt als sijnde de opperste geweest van de geheele Keysers militie, maar sijn misdaet was, dat hij Francois van den Bergh sonder ordre eenige brieven hadde gesz. na Jaffna ende Cotjaer etc., welcke wierden aangehouden tusschen de 4 en 5 gravet, maar wiert den Keyser op het spoedigste ter hand gestelt, waar op den patient bovengem. moste compareren, maer ontkende de brieff te connen lesen, nogh deselve te bekennen. Nogtans heeft hij van den Bergh, gelijck hier voor gesz. is, justitie ontfaan. Nogh seyde deselve Anthonij en Paulus, dat niet lang bevoorens listen hadden geleyt om den Keyser te vergeven door fenijn dat in sijn hoff waar geworpen door sijn eygen natie, 't welck den Keyser gewaar was geworden, en liet sijn dispensiers en cocks tot de