Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/252

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

genomen, ende ick convoyeerde haar tot de poort van mijn logement, ende sij addresseerden haar na het keyserlijck hoff om den Keyser sulcx aan te dienen. Soo dra was de dagh niet gecomen ofte den Keyser sijn hoffsgrooten seyden helaes! datter eenige coelien om de bagagie te dragen mancqueerden ende het oock seer geregent hadde, waar op ick aanstont seyde: Fiat, latense ontbreeken, ende ick liet alle de schenckagien van den Keyser buytens huys brengen, ende stelde deselve op een witte linnedoeck, ende liet ick door mijn lascs. een Dessave Oedepalate ende een Tompine Raterale ende Oedenoere Raterale met twee andere Rales te samen roepen, ende sij mijnwaert gecomen sijnde: Gijlieden hebt gisteren gewilt, dat ick een duysent ofte anderhalff coelien soude eysschen, ende om dat deselve wijnige, dewijl ick moet vertrecken, gebreecken, seyde ick: Gijlieden wort nog niet beschaemt over u leugentale en leugen spreecken, maer ick om dat wil den Keyser sijn woort soude waar wesen, soo soude ick die schenckagie, die bij haer gesien wierden affstaan, soo bij aldien tot deselve coelien gebraacken, ende wat aanginck den regen die gevallen was, conde mijn niet vreesachtig maken, maar soude de ordre van den Keyser uyt lieffde, al waar 't door vuur ofte vlam te loopen, obedieren en nacomen, en sulcx ten dienste van d'ed. Comp. De hoffsgrooten, die omtrent mijn huys haar wagten hadden, versogten dat de schenckagien soude laten bergen ofte weg sluyten, waar op mijn hembt ende Singalese cleeden van gramschap verscheurde en trock mijn Hollantse cleden aan om soo mijn adres tot den Keyser te nemen, 't welck ick niet hebbe gedaan om dat sij hoffsgrooten alle haar nederboogen en vernederden voor mijn. Derhalven was mijn ordre vanden Keyser selver gegeven, maer 't heeft vertoefft vier dagen om den regen ende andere beletselen meer, dewelck vier dagen ick en mijn lascs. sustineerden, dat het vergiftige melcq (die sij hoffsgrooten bragten) was, door dien de honden, nog de coelien deselve melck niet wilde eeten, dogh moet bekennen dat noyt te vooren acht maanden lang sodanige melck gesien hadde, als sij hoffsgrooten vier dagen aan den an-