Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/254

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

op de gesontheyt der ed. Comp. souden verteren, waarop veele geroepen hebben: Adiu, God beware d' e. Comp. altijt en den Ambassadeur. Ter selver uyr vertrock ontrent derde halff uyr van Kanckerancketenoere, sijnde op Vrijdagh des namiddaghs, ende tot mijn convoy waren namentlijck een Oedepalate Dessave dewelcke van yder een geseyt wort den Keyser sijn leven, als wanneer sijn eygen natie de wapens tegens den Keyser opgenoomen hadde, gesalveert te hebben, een Egullity Raterale, een Attanacorale en vier a vijff Arackes met haar bijhebbende lascs., dog sonder tambelijnen, verblijvende des nachts tot Pallaua, na mijn gissinge, twee en een halff uyr van Kanckerancketenoere, dog bevond dat omtrent 4 maanden seer groot gebreck van zout en linnen was geweest,[1] gelijck verscheyde maelen alwaar resideerde ontrent den Keyser sijn hoff hadde hooren kermen en clagen, soo wel van de hoffsgrooten selver als van de slegte luyden,[2] oock in 't affcomen hebbe veele ende verscheyde nogh daerom hooren roepen. Vertreckende des morgens van Pallaua, quamen 's avonts tot Moligudde, als wanneer Egullity Raterale onder wegh door Oedepalate wiert affgesonden, om den Keyser te rapporteren, als dat mijn Singalese kleren hadde aangetrocken, om voor sijn Edt. gelijck ick sijn Majt. belooft hadde te compareren. Oock verbleven een nacht ter selver plaatse bovengen., en des morgens begaven ons wederom op wegh en quaemen tot Kapuyttewatte, alwaar mede een nacht verbleven. Oedepalate heeft tusschen Moligudde en Kapuyttewatte sijn affschijt versogt en genoomen; hij zijn afscheyt versoeckende, soo hebbe het hem toegestaan, maar ick versogt om eerst mijn afscheyt te nemen van den Keyser, 't welck soo geschiede, ende ick gebruyckte deselve woorden, die ick uytgeroepen hadde ontrent den Keyser en sijn hoff. Denselven Oedepalate na veel zegeningen ende omhelsinge scheyde met weemoedigheyt ende betoonde omtrent den Keyser ende d'e. Comp. innerlijck eu uyterlijck genegentheden, gelijck altijt de wagt bij mij gehad hebbende oock betuygt hadde. Onderwegen hebbe mede gesien ende gehoort, dat de Cingalesen boven de grooten bergh na Candia niet mensen, maer

  1. Het gebrek aan textiel en zout (uit India) was het gevolg van de sluiting van de havens van Kottiyar en Puttalam door de VOC, wat weer een respons was op de verovering van Arandore en de gevangenneming van het garnizoen door Kandy.
  2. Gewone mensen.