Naar inhoud springen

Pagina:Berigten van het Historisch Genootschap te Utrecht. Deel 5 (1853-1856).pdf/255

Uit Wikisource
Deze pagina is gevalideerd

slimmer als beesten sijn[1] ende genegen meer tot den Keyser selver als tot de hoffsgrooten, door dien deselve haar soo stroopen en villen, dat niets connen behouden tot haer lijfftogt ofte lichamelijcke nootdruft, maar aan dese sijde ofte cant beneden den bergh wensen de Cingalesen altijt na de optogt van de Hollanders ende wensen deselve op haer hoofden te dragen, en dat om dat den Keyser geen goede regeringe heeft, maar d' e. Comp. soude dan haer troost ende genoeg wesen tot onderhoud voor wijff en kinderen door haar goede regeringe. Niet dat sulcke clagten mij alleen op den wegh hebben inde ooren gekloncken, maar ook tot Candia, als ontrent den Keyser sijn hoff resideerde. Des morgens vertreckende daer van daan na Ruanelle, hebbe onderwegen 2 a 3 onser gevangene gesien, maer als vooren gesz. naackt en bloot, bij na gelijck sijnde wilde menschen. Des avonts waren wij gecomen tot Ruanelle, alwaer 's nagts verbleven ende des morgens vertrocken na Citawaacke, alwaar oock omtrent den avond sijn gecomen, en door het opperhooft Bemmewatte Tinneconnerale mij sijn onderhebbende officieren toegesonden, waar door mij deselve liet vragen ofte ick aldaar wilde vernaghten, ofte hoe ick het verstont, het soude hem lieff en aangenaem sijn, dewijl ick selver met den Keyser sijn ordre was affgecomen, soo hadde hij volgens bekentenisse geen authoriteyt, antwoordende seyde: Soo het de monsrs. verstaan, ick was en ben gereet ten dienste van d' ed. Comp., waar op sijn officieren gevraagt hebben door ordre van den selven Bemmewatte, ofte niet noode waar en mijn de voeten niet seer deden, maar antwoordede andermael, dat gereet was ende geen pijn en voelde. Niet te min door de stercke slagregen, ende met een oock den avond naderde, soo versogt mijn den gem. Sr. Tinneconnerale om aldaer te vernagten, gelijck geschiede, ende conde morgen op mijn gemack vertrecken na Orwevel, soo bovengem. Bemmewatte recommandeerde ende versogt om dat oock de bloetsuygers minder souden wesen, waarop des morgens vertrocken met het convoy van dese navolgende officieren: een Attanacorale, twee Arackes van Oe-

  1. Vedda's. De vroegste bewoners van Sri Lanka, levend in de bossen in het binnenland.