plaats worden van schilderijen, teekeningen, beeldhouwwerk, gedrevene werken, gesnedene steenen, oudheden, kunstwerken en zeldzaamheden van allerlei aard, met uitzondering alleen van penningen en prenten, die op de Koninklijke Bibliotheek moesten bewaard worden. De Heer Apostool werd tot Directeur van dit Museum benoemd. De schilderijen van het Huis in het Bosch werden, als eerste kern, naar Amsterdam overgebragt; de Regering dier stad voegde daarbij eenige der voornaamste, haar toebehoorende schilderijen. De Staten van Zeeland boden het portret van den Admiraal de Ruijter aan. Verscheidene gilden en openbare gestichten volgden dit voorbeeld, waarbij nog giften in kunstwerken van enkele particuliere personen en legaten, van den Baron van Spaen van Biljoen, en later van de Heeren A. Brondgeest, B. Wolff en H. H. Klijn gevoegd werden. Te gelijker tijd werden, op last van den Koning, vele zeer uitmuntende schilderijen voor het Museum aangekocht op de verkoopingen van de verzamelingen des Heeren G. van der Pot, te Rotterdam, van Mevrouw de Weduwe Bicker en van Mevrouw de Weduwe Boreel. Ook werden toen schilderijen van levende Meesters op de Tentoonstellingen voor het Museum aangekocht.
Tevens heeft in dezen tijd de Regering het, om zijne volledigheid en zeldzame drukken, beroemde Prentkabinet van den Heer van Leijden, zich door aankoop aangeschaft. Het Penningkabinet werd kort daarna vermeerderd door de beroemde verzameling van den Heer van Damme. Het is toen uit ’s Gravenhage naar Amsterdam overgebragt, en bij het Museum gevoegd.
De beroemde verzameling van wijlen den Heer van Heteren, bestaande uit 130 stuks schilderijen, werd eenigen tijd later van zijnen erfgenaam, den Heer A. L. Gevers, page van Z. M., voor het Museum aangekocht.
Dit Groot Hollandsch Museum was toen voorloopig geplaatst op het Paleis te Amsterdam, en kon daardoor niet
Pagina:Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam (1858).pdf/14
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
xii
korte geschiedenis van ’s rijks museum.