eene rijk versierde piek draagt. Deze beide figuren zijn in het volle heldere zonnelicht geplaatst, zoodat de schaduw van de hand des Kapiteins duidelijk op den Luitenant valt. Achter den Kapitein ziet men eenen schutter, wiens helm met groen versierd is, en die zijn geweer dwars door de schilderij afschiet. Achter dezen bespeurt men weder in een zeer sterk licht, twee jeugdige meisjes, in levendigen, vluggen gang; de voorste en meest zigtbare is versierd met paarlen in het schoone blonde haar; zij draagt eene rijke kleeding van licht geel satijn, en aan haren gordel hangt een doode witte vogel, een pistooltje en eene tasch. Daarop volgt een schutter, meer naar voren geplaatst, in half licht, wiens geheele kleeding, zelfs zijn hoed, rood is; hij laadt zijn geweer uit eene der houten bussen, aan eenen riem over den schouder gedragen. In den hoek van het tafereel naast hem loopt een jongen haastig weg, eenen hoogen manshelm op het hoofd, en eenen grooten kruidhoorn in de hand dragende. Achter en boven hem zit een helbaardier op een muurtje; daarbij ziet men eenige hoofden van schutters, en boven het reeds genoemde meisje, op de trappen, die onder eene gewelfde poort uitkomen, den Vaandrig Jan Visser Cornelissen; hij heeft eenen hoed met pluimen op, en eene breede sjerp over den linker schouder, en zwaait met krachtige hand het vaandel, waarin het stedewapen prijkt. Verder bij hem op de trappen en lager tusschen den Kapitein en den Luitenant, zijn verscheidene schutters met helmen en hoeden op het hoofd, en met lansen en pieken gewapend; de onderste ontwijkt het schot van den vroeger genoemden versierden schutter. Achter den Luitenant, aan de andere zijde van het tafereel, ziet men eenen voorover gebogenen schutter, met den helm op het hoofd, de lont van zijn geweer aanblazen. Daarop volgen waarschijnlijk de Serjanten Rombout Kemp en Reinier Engel, beiden in het zwart, hoeden met hooge vederbossen op het hoofd en hellebaarden in de handen hebbende, de een heeft eenen ijzeren kraag om, en de andere, met eenen breed geplooiden linnen kraag, wijst met de hand naar de figuren op den trap, en spreekt tot eenen soldaat, met eenen helm op, naast hem. Voor dezen is de Tamboer, Jan van Kampoort, half zigtbaar; hij roert de trom en keert het, met eene breede platte muts bedekte hoofd naar den aanschouwer; aan zijne voeten blaft een hondje. Achter de beide serjanten zijn vele schutters bijeen, wier hoofden en pieken zigtbaar zijn. Tegen eene kolom in den achtergrond, naast de poort waaruit de schutters komen, hangt, in eene ovale gebeeldhouwde lijst, een bord, waarop de volgende namen staan geschreven:
Pagina:Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam (1858).pdf/142
Uiterlijk