vult meer dan 210 genummerde portefeuilles; voor het overige zijn er nog een 40-tal kunstboeken volgens andere beschrijvingen gerangschikt, en vele prentwerken. Alleen aan historische portretten bezit het Museum over de 3700 Nommers.
In 1825 heeft er tusschen het Koninklijk Kabinet te ’s Gravenhage en het Rijks Museum eene ruiling plaats gehad, waardoor 6 schilderijen van het Museum tegen een stuk van Rubens en een van van Dijk uit het kabinet zijn verwisseld.
In 1828 heeft men eenige schilderijen van ’s Rijks Museum verkocht.
De zoogenoemde moderne schilderijen zijn in 1838 naar het Paviljoen Welgelegen te Haarlem overgebragt, eerst die der toen levende Meesters, later, in 1848, om die verzameling te vermeerderen, daar het Rijk niet of weinig aankocht, eenige van andere, kortelings overledenen, die men moderne noemde.
Na het overlijden van den Heer Apostool werd, in het jaar 1844, de Heer J. W. Pieneman tot Direkteur van ’s Rijks Museum benoemd; en kort daarna, nog in hetzelfde jaar, eene Kommissie van Toezigt ingesteld, bestaande uit den Heer J. W. Pieneman als lid en Direkteur, de Heeren A. Brondgeest, Jo. de Vries en P. E. H. Praetorius; terwijl in 1847 de Direkteur, op zijn verzoek eervol, ontslagen en de Kommissie van Toezigt in eenen Raad van Bestuur veranderd werd.
Toen de Heer A. Brondgeest overleden was, werd de Heer N. Pieneman lid van den Raad van Bestuur. In de plaatsen later, door het overlijden van de Heeren J. W. Pieneman en Jo. de Vries opengevallen, werden, in December 1853, de Heeren Jacob de Vos Jbz., en P. L. Dubourcq benoemd.
Bij de plaatsing van ’s Rijks Museum in de Trippenhuizen, is een gedeelte van deze gebouwen tot zetel van het Koninklijk Instituut en tot lokaal voor zijne Bibliotheek
Pagina:Beschrijving der schilderijen op 's Rijks Museum te Amsterdam (1858).pdf/16
Uiterlijk
Deze pagina is proefgelezen
xiv
korte geschiedenis van ’s rijks museum.