NICOLAAS BERCHEM.
Geboren te Haarlem 1623—1683 te Arasterdam overleden[1].
Leerling van pieter claasze berchem, jan van goien, nicolaas moijaart, pieter fransz de brebber, jan wils en babtist weenix.
H. 14. B. 16. K. Dh. 1.
Welligt het kleinste van dezen Meester.
Aan den oever van een meer, waaraan hooge steile rotsen palen, drijven eenige herders en herderinnen hun vee voort.
De verlichting is bij avondzon.
| Gemerkt: |
Verkooping G. van der Pot, 6 Junij, 1808, Rotterdam ƒ 345.
H. 39. B. 49. P. Fh. 8.
Op het ijs bij eene bierbrouwerij laden vier lieden eene slede met biervaten; een wit afgespannen paard staat nevens hen bij eene andere slede, en daarbij een paar blaffende honden; verder zijn op het ijs twee mannen met kolven bezig, terwijl een jongen zijne schaatsen aanbindt. De brouwerij is in eenen stadswal; deze strekt zich uit tot eene poort, waarbij aan een palenhoofd eenige ingevrozen schepen liggen. Het verschiet is een uitgestrekt ijsveld, de lucht is donker van toon.
Deze schilderij heeft veel overeenkomst met de volgende, waarvan zij de tegenhanger schijnt te zijn.
| Gemerkt: |
Kabinet van heteren.
H. 38. B. 47. P. Fh. 9.
Op het ijs langs eenen stadswal staat een wit paard,
- ↑ Hij is den 23sten Februarij, 1683, in de Westerkerk te Amsterdam begraven, en heeft op de Lauriergracht over den Burgemeester Huijdecoper gewoond. Zie C. Kramm.