Zestiende Hoofdstuk.
Van hunne Taal.
Noorweegſche woorden in hunne taal.
AThoetvel de taal der Inboorlingen geen ober- eenkomst heeft met andere Europeaanfche talen / dezelve schijnt nochtans eenige woozden van de Noren onleent te hebben / die eertijds een gedeelte van het land heb- ben bewoont; hoe 't zp verscheide woozden komen en in klank en in betekenis beide met dezelve overcen/ als by boozbeeld/ Kona, een vzouw; Nerriok, eeten/ van het De woztel Angelica, in Roozdsche woo20 Noerri. Noorwegen genaamt Quaun, noemen de Inboorlingen Quaunek. De Noorlui en de Inboorlingen noemen een Bzunvisch beide Nife. Asche in Noorwegen Aske, in be Staat Davis, Arkfet. Een Lamp/ in Noorwegen Kolle, in de Straat Davis Kollek. Sommige andere zwe- men na Latynfche woozden van dezelve betekenis / als Gutta een Druppel, in de Straat Davis Gutte, of Kutte. Ignis, vuur noemen zu Ingnek. Derscheide andere wederom schijnen van het Hebreeuwsch af te stammen / als Appa, een woozd/ gebzyikelyk by kinderen / bete- Kenende zoo veel als vader en verscheide andere.