dier oude gebouwen, waar men zeker was geheime gangen en onderaardsche schuilhoeken te vinden, zoowel als fondamenten. De aandacht van den waakzamen Burgemeester was dus alreede op dat huis gevestigd. Sinds het gebeurde met Jan Cornelisz. , wantrouwde Prouninck de gansche wereld, en hij stelde zich voor, huiszoeking te doen, zelfs bij de vorstelijke dame, zoo zij zekere proeve, die hij met haar wilde nemen, niet rustig doorstond; de proeve, oordeelde hij, moest voorafgaan; want in ’t eind, eene vorstin, die zoolang bekend geweest was als eene ijverige vriendin van den Graaf, een openlijk vernederend onderzoek te doen ondergaan, kon niet wel met billijkheid en hoffelijkheid bestaan, zoo daar geene ernstige redenen waren op te geven tot zijne verantwoording. Hij begaf zich dus op zekeren dag naar de Prinses, maar daar Prouninck gewoonlijk meer drift dan list tot zijn dienst had, begon hij met haar heftige verwijten te doen, dat zij zich had geschaard aan de zijde van Leycester’s vijanden, en toen zij hem met sterke verzekeringen het tegendeel betuigde, had hij haar verweten, dat zij verdacht werd, een deel van haar huis te leenen tot de onwettige en misdadige bijéénkomsten van zekere lieden, die zich te Utrecht onthielden, om daar onraad te stichten. De Prinses deed, zooals de meeste onschuldig betichten; zij verwaardigde zich niet eens te ontkennen, en tergde den Burgemeester uit tot een onderzoek, dat zij niet vreesde. Die stoutheid bevredigde Prouninck beter dan de sterkste ontkenning; toch durfde hij er niet in berusten, en hij nam zich voor van de gegeven vergunning gebruik te maken te zijner tijd; maar dit maakte niet de rekening van meester Andries, als wij ons herinneren, de trouwe dienaar van heer Aelbrecht Foeck, schoon in werkelijken dienst der Prinses. In de voorzaal op wacht, had de luide stem van Gerard Prouninck hem met alles bekend gemaakt, en ook eene zachtere ware aan zijne opmerkzame aandacht en scherp luisterend oor niet ontgaan.
Pagina:Bosboom-Toussaint, De vrouwen van het Leycestersche tijdvak tweede deel (1886).pdf/107
Uiterlijk