maar hij was te gelijk Katholiek Priester; dáárom was het hem zoo eene grieve, dat men Luther tot het uiterste gedreven had; die Kerkhervorming, ja! maar geene verandering der Kerkwet; zuivering maar geene scheuring, geen omstooten der bestaande gebruiken, omdat zij misbruiken geworden waren voor nieuwe instellingen, die ook misbruiken .konden worden… Dáárom wilde hij niet, dat een jongeling als Paul die scheurziekte steunen zoude en verbreiden; dáárom moest hij niet verloren gaan voor de Kerk. Hij, Boudewijn, kende zich een overwicht op alle geesten; bij zijnen ijver had die jongeling zooveel zachtheid, zooveel licht opgewonden gevoel, zooveel weekheid, dat hij er niet aan wanhoopte, hem de ontvangen indrukken door andere te doen vervangen, zijner Godsvrucht nog eene andere richting te geven, en hem te vormen naar begrippen, die hem dachten de betere te zijn: Dáárom had hij hem niet uit het oog willen verliezen, en zeker was het zijn plan, hem met zich te voeren naar Utrecht, zonder hem één dag op Lauernesse alléén te laten, zoo niet de plotselinge opontbieding des Bisschops en de ontrustende tijdingen, waarvan zij het gevolg was, hem de belangen der Kerk hadden doen vergeten voor die van den Staat; of liever, zoo zijne aandacht niet telkens door al de verschillende gemoedsbewegingen, waarvan hij getuige en medewerker was, ware afgeleid geworden van de ontmoeting in den vroegen morgen; daarna waren het beslommeringen van allerlei aard, opéénstapeling van bezigheden, waarbij de eene de andere verdrong, waaronder zij geheel werd bedolven en weggewischt uit zijn geheugen, totdat der monniken wraakzucht haar daarin met zooveel ontzetting terugriep. Boven alles voelde zich de Vicaris ontrust over Ottelijne. Beter dan haar onnoozele biechtvader kende hij de Jonkvrouw. Hij wist dat dátgene, wat deze als godsdienstlauwheid schold, bij haar niets was dan de walging van het gezond verstand tegen ongerijmd heden, en de onvoldaanheid van eenen geest, die verder. wilde zien dan den vorm. Hij zelf deelde die walging en die onvoldaanheid, maar hij had zich nooit met haar in gesprekken willen inlaten, die verder konden gaan, dan ze gaan moesten: hij kende leeken het recht niet toe, om te onderscheiden en oordeel
Pagina:Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse (1885).pdf/167
Uiterlijk