Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse (1885).pdf/516

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

zacht en bijna vertrouwelijk, maar met eene onnoozele uitdrukking op het gelaat, die meer ijzing wekt, dan alle hartstochtelijke verwildering. »Zeg mij! brandt het dáár beneden? Gij kunt mij vertrouwen. Ik ben van het heilig Ambt. Maar ik ben dezelfde, die; een voormaals Bakelsze heette, nu heet ik…” Hij scheen zich zijnen nieuwen naam niet meer te herinneren; toen legde hij liefkoozend haar de hand op den schouder: »U ken ik wel!” ging hij voort. »Gij zijt Ottelijne — Ottelijne van Lauernesse! en gij zijt mijne bruid! En ik ben uw bruidegom!” En eer zij in haren radeloozen angst het verhinderen kon, had hij haar vast in zijne armen gesloten. »Koningin des Hemels; ik ben de bruidegom van een lijk!” riep hij op nieuw met eene heesche stem en stiet haar wild van zich af, en met eenen schrikwekkenden lach voegde hij er bij: »dat komt van Luther!” Toen vatte hij haar weder met eenen ijzervasten greep — met den kreet: »Lutherane!” »Dat valt te zwaar, Heere! mijn God!” schreide Ottelijne. »Aernoud krankzinnig! Heb barmhartigheid, mijn Heiland!” En, helaas, dat was geen vermoeden, het was eene ontdekking! De waanzin, die reeds eenmaal in die hersenen had gewoeld, had ze genoeg geschokt en verzwakt, om een licht spel te hebben bij eenen tweeden aanval. Gelijk vroeger het nameloos zielelijden, dat onverpoosd op hem gedrukt had, bij een hoog prikkelbaar, voor sterke hartstochten ontvankelijk gestel, — bij godsdienstbegrippen, die heenleidden tot sombere dweperij, bij een en trotschen geest, die zich de verlichting der klachten en van het medegevoel altijd had ontzegd, alles, in één woord, wat hij was en wat hem overkwam, had er toe geleid, om zijn verstandsvermogen op die zwakte te brengen, dat een enkele schok van blijdschap of schrik de verbijstering op hem wierp. Intusschen had de Jonkvrouw, worstelend tusschen liefde en afschuw, tusschen natuurlijke vreeze en het diepste mededoogen, tusschen de snerpende smart van deze nieuwe ramp en de onrust, hoe dit jammertooneel een eind zou nemen, te vergeefs getracht zich aan zijne vastgeklemde handen te ontwringen; die kamp was zoo hartverscheurend om aan te zien, dat de kloosterzuster uit angst den arm van den monnik