Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, Het huis Lauernesse (1885).pdf/517

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

vastgreep, die, met den uitroep: »’t is, bijlo! de Jonkvrouw van Lauernesse,” zich met deze verwijderde. De Hollanders waren intusschen weggetrokken met hunnen gevangene; maar Ottelijne had het niet gezien. Dit alles was gebeurd in zoo korte minuten, dat zelfs de vluchtenden, die toch de snelheid niet verzaakt zullen hebben, nog niet allen weggesneld waren van de weide in den tijd, dat het voorviel. Sommigen hunner zagen, in het voorbijgaan, Ottelijne in de macht van den man, dien zij met zulk eene dreigende houding hadden zien aankomen, en het medelijden bewoog wie haar kenden tot den uitroep: »Hoe droevig! de vrome zuster van Utrecht is in handen van den geloofsrechter!” — »Dat willen wij weren,” riepen sommige jongelingen van Culemborg, die, gloeiend van strijdlust, nog eene kans tegen de Gelderschen meenden te wagen, en, er hun gevaar als Lutheranen voor vergetende, dáár gebleven waren, den Hollanders ter hulpe. »Dat weren wij, zoo God ons bijstaat; kom, Enriquez! toon u een goed makker;” en zij ijlden met uitgetrokken handdegens op Aernoud toe, die, aan het hoofd gewond, nederzeeg, eer de smeekingen der Jonkvrouw hunnen aanval hadden kunnen voorkomen.

. . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . .

. . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . .

Na een kwartier uurs was de weide gansch ontruimd door de gevluchte toehoorders der hagepreek, door de Hollanders, die ter vervolging waren gekomen, en nu, de minderen in getal, voor de Gelderschen hadden moeten wijken, door die Gelderschen zelve, welke, in troepen verdeeld, dáár brandschatting gingen afvergen van den Everdingschen huisman, ginds op Utrechtsch grondgebied een klooster of heerenhuis plunderden, en elders terugtogen naar Gelderland met buit of met gevangenen.

Dit krijgshaftig uitstapje op Hollandschen bodem, schoon in vollen wapenstilstand, zouden ze wel weten te verantwoorden bij eenen meester, die hen zelden met een voorbeeld van goede trouw was voorgegaan. Niet gansch ontruimd was toch de weide, men zag hier en daar het lijk van eenen dergenen, die weêr hun leven gegeven hadden voor de zaak van anderen; aan