Naar inhoud springen

Pagina:Bosboom-Toussaint, Majoor Frans enz (1888).pdf/41

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

het dan uit. Gij begrijpt, jonker, dat ik in mijne kwaliteit tegenover haar mij voortaan onthouden moest. Zij gebruikte overigens hare schatten voor zich zelve niet dan met de uiterste matigheid. Zij bewoonde een klein buitentje hier dicht bij de stad, dat ik voor haar heb moeten koopen, terwijl zij haar prachtig huis binnen Utrecht, haar fraai buitengoed in Gelderland, aan vreemden verhuurde. Zij hield geene andere bedienden dan een huisknecht, eene kamenier van leeftijd en eene keukenmeid. De tuinman, die het lapje moesgrond van de plaats had gepacht, leverde haar de groenten en moest voor haar tuin en bloemen zorgen. Een koetsier hield zij er niet op na. Zij had rijtuig van een stalhouder, bij de maand; maar zij gebruikte het zelden; zij wandelde weinig en kwam weken aaneen niet van de plaats af. Zij had geen conversatie, wees in den regel alle bezoeken af, behalve die van dokter D., haar vriend, die haar dagelijks moest komen zien en die geregeld tweemaal in de week met zijne ongetrouwde zuster een partijtje bij haar kwam maken. Ik kwam zoo vaak de zaken het eischten, en eens in de maand vroeg zij mij met mijne vrouw en dochter te dineeren. Dokter D. en zijne zuster waren er dan ook; maar ik herinner mij niet, dat ik ooit iemand anders bij haar ontmoet heb dan dien schilder, dien zij op haar ouden dag nog haar portret heeft laten maken en wien zij een mooi legaat heeft toegekend, een jongmensch met schalksche oogen en fraaie kneveltjes. dien ik verdenk van haar een weinig het hof gemaakt te hebben à force van aardigheden en piquante gezegden à la Voltaire; want ze kocht teekeningen van hem, die ze nooit aanzag, en ze was altijd een beetje meer geneigd mij te plagen met mijne religieuse gevoelens en mijn ouderlingschap, als hij bij haar was geweest. Overigens een beste jongen, die voor zijn moeder had te zorgen; en ’t kapitaal, dat zij u nalaat, jonker, is groot genoeg om niet op die caprice te zien…”

»Neen, voorwaar!”. viel ik in; »ik ben blij, te hooren dat er iemand is geweest, die dat eenzaam en als in de engte gedreven leven nog in den laatsten tijd wat heeft kunnen opvroolijken… Maar na ’t geen gij mij daar hebt medegedeeld omtrent hare stemming tegenover kerkelijke en christelijke instellingen, begin ik te twijfelen, of ik wel recht heb, hare nalatenschap te aanvaarden; want schoon ik heel goed weet dat er maar al te veel kaf onder ’t koren schuilt en niet van zins ben in den blinde