alle tegelijkertijd, en bleven in rust, totdat even onverwacht een van de zangers zijn onwelluidende stem opnieuw weerklinken liet, en het gehuil van voren af begon. Het op en neer bewegen van de beenige trommel aan het tongbeen, die door zijn resonance aan de stem zijn merkwaardige kracht verschaft, kan men gedurende het schreeuwen duidelijk zien. In ’t eene oogenblik geleek het geluid op het knorren van een varken, in ’t volgende kwam het overeen met het brullen van den Jaguar, die zijn prooi bespringt, om kort daarna over te gaan in het zware en verschrikkelijke gebrom, dat hetzelfde Roofdier laat hooren als het, aan alle zijden omsingeld, het hem dreigende gevaar inziet. Hoe onbehagelijk deze muziek ook was, toch had het gezelschap, dat zich op deze wijze vermaakte, iets grappigs over zich. Zelfs het gelaat van den sombersten menschenhater zou op sommige oogenblikken sporen van een glimlach vertoond hebben, als hij gezien had, hoe stijf en ernstig deze zwaar gebaarde concertgevers elkander aankeken. Men had mij gezegd, dat iedere bende haar eigen voorzanger heeft, wiens fijne, piepende stem een scherpe tegenstelling vormt met het zware basgeluid der overige zangers, en die zich bovendien door een veel slankere en fijnere gestalte onderscheidt. Ik vond de eerste mededeeling bij deze bende volkomen bevestigd; maar de fijnere en schralere gestalte zocht ik tevergeefs; in plaats van deze bespeurde ik op een der naastbijstaande boomen twee zwijgende Apen, die ik voor uitgezette schildwachten hield; — zoo zij dit waren, vervulden zij hun plicht slecht genoeg; want onopgemerkt stond ik in hun nabijheid.”
Deze levendige beschrijving bewijst ons voldoende, dat de Brulapen hoogst eigenaardige wezens zijn. Zonder eenige overdrijving kan men beweren, dat hun geheele handel en wandel een samenvoeging van allerlei zonderlingheden is, en daardoor aan den waarnemer een ruim onderzoekingsveld aanbiedt; terwijl men aan den anderen kant erkennen moet, dat de Indianen te verontschuldigen zijn, als zij de Brulapen wegens hun droefgeestig voorkomen en vervelend gezang minachten en haten. Zelfs de lasteringen, waaraan zij zich schuldig maakten, zijn verklaarbaar, als men bedenkt, dat de bedoelde dieren zoomin in vrijen als in gevangen toestand iets aangenaams voor den toeschouwer opleveren, en dat ook hun levenswijze geen tafereelen aanbiedt, waarin hij behagen kan scheppen.
Over dag houden de Brulapen zich bij voorkeur op in de hoogste boomen van het woud; bij ’t begin van de schemering trekken zij zich in het dichte, met slingerplanten doorvlochten loover van de lage boomen terug en gaan hier slapen. Langzaam, bijna kruipend klauteren zij van tak tot tak, zoeken bladen en knoppen uit, die zij langzaam met de hand afplukken en even langzaam naar den mond brengen. Als zij verzadigd zijn, hurken zij neder op een tak en blijven hier bewegingloos zitten; zij gelijken dan op stokoude, slapende aardmannetjes. Ook gaan zij wel languit op den tak liggen, laten de vier ledematen naar beide zijden stijf afhangen, en houden zich alleen met den grijpstaart vast. Wat de eene Aap doet, wordt door den anderen langzaam en gedachteloos nagedaan.
Weinige dieren zijn zoo geheel aan de boomen gebonden als de Brulapen. Zij komen hoogst zelden op den grond, waarschijnlijk dan, als het hun onmogelijk is te drinken op de gewone wijze, n.l. door te gaan hangen aan de takken en slingerplanten, die het dichtst bij den oever groeien. Humboldt zegt, dat zij niet in staat zijn om reizen of zelfs wandelingen over den vlakken bodem te doen. De Indianen beweren, dat de Brulapen menigmaal breede stroomen overtrekken. Rengger houdt dit bericht voor een sprookje, dat den vreemdeling op de mouw wordt gespeld. “Zij zijn,” zegt hij, “zoo bang voor het water, dat zij eerder verhongeren zullen, dan pogingen aan te wenden om zwemmend een anderen boom te bereiken, wanneer zij na een snelle rijzing van den waterstand in den stroom door het hun antipathische element op een boom zijn ingesloten. Zoo ontmoette ik eens zulk een bende Apen in een boom, die aan alle zijden door ’t water omringd was; deze dieren waren uiterst vermagerd en konden zich uit zwakte nauwelijks meer bewegen. Zij hadden niet slechts alle bladen en jonge takken, maar zelfs een deel van den schors van den boom verslonden. Om het naastbijgelegen woud te bereiken, zouden zij slechts 18 à 20 M. ver hebben moeten zwemmen.” Dezelfde natuuronderzoeker verzekert, dat hij nog nooit een Brulaap op het vrije veld gezien, of zijn spoor ergens op den bodem aangetroffen heeft.
Kappler zegt van den Rooden Brulaap in Guyana: “Hij leeft in kleine troepen, die zelden uit meer dan tien individuën bestaan, waarbij zich echter altijd een volwassen mannetje bevindt, dat op de boomen een hoogere zitplaats inneemt dan de anderen; dit dier fungeert als kapelmeester bij het afschuwelijk concert dat de Apen geven. Telkens als ik in de gelegenheid was om de schreeuwers van zeer nabij na te gaan, zat er een oud mannetje boven in den boom, dat zich met de voorpooten vast hield en den langen grijpstaart om een tak geslingerd had, terwijl de andere mannetjes met de wijfjes en de jongen in verschillende