Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/103

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

paniscus) en de Marimanda of Aroe (Ateles beëlzebuth). De eerstgenoemde is een der grootste van zijn geslacht. Zijn lichaamslengte bedraagt ongeveer 1.35 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt; de hoogte in de schoften is ongeveer 40 cM. Het haar is grof, aan de schouders verlengd, op den rug over ’t geheel dichter dan aan de onderdeelen; op het voorhoofd staat het bij wijze van een kam overeind; het is donkerzwart van kleur, alleen op het aangezicht roodachtig; de huidkleur is donker, op de handpalm geheel zwart. Het goedaardige gelaat verkrijgt door een paar levendige, bruine oogen een innemende uitdrukking.

Tsjamek (Ateles pentadactylus) ⅕ v.d. ware grootte.


In Ecuador (Quito), op de landengte van Panama en in Peru zijn de genoemde soorten vervangen door den Tsjamek (Ateles pentadactylus). Hij bereikt een lengte van ongeveer 1.3 M., waarvan de staart echter meer dan de helft in beslag neemt, heeft een langharige, donker-zwarte vacht en een kort stompje op de plaats van den duim.

De Miriki (Ateles hypoxanthus), dien wij voornamelijk door Prins Max von Wied hebben leeren kennen, bewoont het binnenland van Brazilië. Hij is ongeveer 1.4 M. lang, dik van lijf, met een kleinen kop en een korten hals; de ledematen zijn lang; de beharing is dicht, bijna wollig. Gewoonlijk is de vacht vaalgeel, soms echter witachtig grauwgeel; de binnenzijde van de ledematen is gewoonlijk lichter van kleur. Het onbehaarde gelaat is in de jeugd zwartbruin, op lateren leeftijd donkergrijs, in het midden echter vleeschrood. De duim van de voorhand is een kort stompje zonder nagel.