Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/107

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

neemt hij zijn toevlucht tot huichelarij en zoekt zich te wreken, door zijn vijand te overvallen.

Ook de Kapucijner-aap is zeer snoeplustig; wanneer zijne dieverijen ontdekt worden, leert hij spoedig in ’t geheim te stelen en daarbij allerlei listen en knepen in toepassing te brengen. Op heeter daad betrapt, zal hij uit vrees voor straf dadelijk luid schreeuwen; wanneer daarentegen zijn misdrijf verborgen blijft, gedraagt hij zich zoo argeloos en onbekommerd, alsof er niets gebeurd is. Kleine voorwerpen worden ingeval van nood in den mond verborgen en eerst later opgegeten. Zijn hebzucht is zeer groot. Wat hij bezit, laat hij zich zoo licht niet weer ontnemen, hoogstens kan zijn meester dit doen, ingeval deze zich zeer bemind heeft weten te maken. Behalve deze eigenschappen merkt men zoowel nieuwsgierigheid als vernielzucht in hooge mate bij hem op.

Faun-Aap (Cebus fatuellus). — Kapucijner-Aap (Cebus capucinus). ⅙ v.d. ware grootte.


Slechts noode onderwerpt hij zich aan den wil van den mensch. Daarentegen beijvert hij zich, andere wezens, zelfs menschen, nu eens door liefkoozingen, dan weer voor dreigementen naar zijn hand te zetten. Op zijn leerlust heeft dit een zeer verkeerden invloed: hij leert alleen datgene, wat hem voordeel oplevert, b.v. doozen openen, de zakken van zijn meester doorzoeken enz.

De Apella of Bruine Rolstaartaap (Cebus apella) leeft in Guyana. Zijn kleur is niet gemakkelijk te beschrijven, daar deze zeer verschillend is. Zijn lichaamsbouw is tamelijk gedrongen; de betrekkelijk goed gevulde vacht bestaat uit glanzige haren, die boven het voorhoofd en aan de beide zijden van den kop zich tot een hooge kuif verheffen, en in ’t aangezicht een baard vormen; hun over ’t algemeen bruinzwarte kleur gaat op den rug, den staart en de dijen in zwart over; het aangezicht en de keel zijn gewoonlijk lichter en op de kruin komt geregeld een donkere streep voor. Dikwijls zijn ook de zijden van den romp en de pooten helder kastanjebruin van kleur. In grootte komt deze Aap met den Kapucijner-aap overeen.

Van het leven van den Apella in de vrije natuur geeft Schomburgk de volgende uit-