Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/108

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

voerige beschrijving: “Dicht tegen een boom aangedrukt, wachtten wij de apenbende af. De voorhoede verscheen voor ons; het hoofdleger volgde spoedig; ongeveer een kwartier later kwam de laatste troep, dien ik trouwens door een uitbundig gelach, dat ik niet meer inhouden kon, spoedig in wilden haast de vlucht deed nemen. Wie zou hier dan ook het lachen hebben kunnen laten, bij het zien van de overdreven haast en bewegelijkheid waarmede de vlugge dieren zich op de takken voortbewogen, bij het hooren van het klagen, fluiten en zingen van de zwakkere leden van het gezelschap, bij het opmerken van de boosaardige blikken, die zij op hunne sterkere gezellen wierpen, omdat zij, deze in den weg komend, door hen gebeten en geslagen werden. Men kon zich niet bedwingen bij het zien van de oude mannetjesachtige gelaatstrekken van de op moeders rug als ’t ware vastgelijmde jongen, en bij het waarnemen van den ernst, waarmede gedurende de reis op ieder blad, in iedere spleet naar Insecten gezocht werd terwijl nu en dan een vliegende Vlinder of een vluchtende Kever met de grootste behendigheid gevangen werd. Met zulke grimassen waren misschien ongeveer 400 of 500 Apellas over ons weggeijld (want een andere beweging schijnen zij in ’t geheel niet te kennen), toen ik aan den drang tot lachen niet langer weerstand kon bieden. Als door den donder getroffen bleven de vlak boven ons aanwezige Apen een oogenblik bewegingloos staan, lieten toen een eigenaardig geschreeuw hooren, dat vóór, achter en naast ons zijn echo vond; alle keken angstig in alle richtingen, totdat zij ons bemerkten; toen keken zij ons een oogenblik aan, herhaalden hun geschreeuw nog schriller dan de eerste maal, en vlogen nu met dubbel zoo groote sprongen in den letterlijken zin van ’t woord over ons heen, zonder dat eenige andere toon dan het vermeerderde gedruisch in de takken gehoord werd.”

De Apella wordt zeer veelvuldig naar ons werelddeel overgebracht, en is daarom in dierentuinen en beestenspellen vaak genoeg te vinden. De Savoyaarden, die het geheele zuiden van Europa doorwandelen, gebruiken hem, evenals sommige Meerkatten, om het hart van gegoede lieden met beter gevolg te verteederen, dan met hunne draaiorgels kan geschieden. De muziek van deze dikwijls erbarmelijk ontstemde werktuigen is in de straten van Frankrijk, Spanje en Italië zoo gewoon, dat geen mensch meer let op den armen smeekeling, die de vroolijke muze te hulp roept, en met klanken en liederen de harten wil roeren. Ach! juist deze tonen sluiten de harten voor hem; zij wekken wrevel op, en de beurs blijft gesloten. Nu gaat op bevel en in ’t belang van den toonkunstenaar de tamme Meerkat, Apella, of Apollo-aap aankloppen aan de gesloten harten der menschen. Het dier is gebonden aan een lang, dun touw, dat grootendeels om de hand van zijn meester gewikkeld is; deze laat het touw vieren, en op de klanken van de Marseillaise of van ’t een of ander straatdeuntje klimt de kleine bedelaar bij regenwaterpijpen omhoog, loopt langs dakgoten en kroonlijsten, gaat van de eene verdieping naar de andere, tot hij de dakkamers bereikt heeft. Hij verschijnt aan ’t venster, een kind merkt hem op, een luide juichkreet wordt gehoord, het regent suikergoed en ander gebak in zijn nabijheid — ach, had hij maar wangzakken; — maar er valt ook menige sou, menige cuarto, menige soldo voor zijn beneden wachtenden meester: de Aap heeft het hart van ’t kind geopend en het kindermondje den geldbuidel van de ouders losgeknoopt. Het dier werpt ieder geldstuk, dat het ontvangt, zijn meester toe; deze zamelt beneden vroolijk in, zoolang hem van omhoog nog iets wordt toegeworpen, en trekt dan verder met zijn helper in ’t bedelen, om eenige weinige huizen verderop het spel te hervatten.

De Faun-aap (Cebus fatuelles) onderscheidt zich voor een in twee bundels verdeelde kuif. De oostkust dan Brazilië is zijn vaderland.




In de tweede onderfamilie van de Breedneuzen vereenigen wij de Slapstaarten (Pithecidae), voor ’t meerendeel kleine of middelmatig groote Apen, welke van die der vorige onder-familie verschillen door hun slappen, geheel en al behaarden, voor ’t grijpen ongeschikten staart, welks wervels van voren naar achteren gestadig in dikte afnemen.

De Pluimstaartapen (Pithecia) hebben ineengedrongen lichaamsbouw, die door de lange en losse beharing nog plomper schijnt, dan hij werkelijk is, betrekkelijk krachtige ledematen en een dikken, ruigen staart, die naar den spits toe meestal met langere haren bezet is. Het haar van ’t bovenste deel van den kop is mutsvormig gescheiden, dat van de wangen en van de kin vormt een meer of minder langen, dichten volbaard.

Het verbreidingsgebied van de weinig talrijke soorten van dit geslacht is tot de noordelijke gedeelten van Zuid-Amerika beperkt. Hier bewonen zij hooge, droge wouden zonder