Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/109

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

kreupelhout en vermijden de nabuurschap van andere Apen. Volgens Tschudi zijn zij schemeringdieren, welker werkzaamheid eerst na zonsondergang begint, en tot het opgaan van de zon voortduurt; overdag slapen zij, en zijn dan moeilijk op te jagen, omdat zij hun tegenwoordigheid door geen gedruisch verraden, en zich alleen, als zij vervolgd worden, vlugger bewegen. Hoewel gemakkelijk te temmen, blijven zij toch in de gevangenschap dikwijls knorrig en verdrietig, en als zij overdag waken, toonen zij zich traag of treurig. “Overal, waar de boomkronen aan den oever dicht bebladerd zijn,” schrijft Schomburgk, “vond ik troepen van Apen in de takken, en wel het meest de werkelijk lieve Pluimstaartapen. Het fraai gescheiden, lange hoofdhaar, de weelderig ontwikkelde baard aan kin en wang, de lang behaarde staart, welke aan dien van een Vos herinnert, verschaffen aan deze dieren, die zoo helder en verstandig kijken, een ongemeen lieftallig, maar tevens een zeer grappig voorkomen.”

Witkop-aap (Pithecia leucocephala). ½ v.d. ware grootte.


In de groote bosschen langs den bovenloop van den Maranon en den Orinoko wordt de meest algemeen verbreide soort van dit geslacht zeer veelvuldig aangetroffen. Deze is de Satan-aap, de Kuxio van de Indianen (Pithecia satanas), een dier van 55 cM. lichaamslengte met een bijna even langen staart. De nagenoeg volkomen ronde kop is gekenmerkt door een soort van muts, die uit niet zeer lange, dicht aanliggende haren bestaat, welk van een gemeenschappelijke kruin aan het hoogste gedeelte van het achterhoofd uitstralen en op het voorste