Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/120

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

anderen overspringt, bij het eten rechtop zit als een Eekhoorntje, en zijn voedsel, dat hoofdzakelijk uit vruchten bestaat, met de handen naar den mond brengt; zijn stem gelijkt op het weenen van een kind; het is zeer zachtmoedig en goedaardig en kan derhalve gemakkelijk getemd worden; in de zuidelijke districten van het eiland wordt het door de inboorlingen als huisdier gehouden en, evenals onze Honden, voor de jacht afgericht.

“In sommige gedeelten van Madagaskar”, verhaalt Pollen, “richt men den Babakoto voor de vogeljacht af. Naar men zegt, bewijst hij hierbij even goede diensten als de beste Hond; want, hoewel hij hoofdzakelijk vruchten eet, is hij volstrekt niet afkeerig van kleine Vogels; hij vangt deze op zeer behendige wijze, met de bedoeling om de hersenen, die een lekkernij voor hem zijn, buit te maken.”

Voor zoover mij bekend, werd de Babakoto of een der andere Indris tot dusver nog niet levend naar Europa gebracht. Dit is te vreemder, daar de eerstgenoemde op Madagaskar in zekeren zin een huisdier is geworden, en het dus niet moeilijk kan zijn hem in ’t leven te behouden.

*

Naar het schijnt, is de naam Maki een klanknabootsing van het geschreeuw der vertegenwoordigers van het soortenrijkste en veelvuldigst voorkomende geslacht van de familie; de wetenschappelijke benaming Lemur, waarmede vroeger alle Lemuriden aangeduid werden, is tegenwoordig beperkt tot het geslacht der Maki’s. Deze onderscheiden zich van bijna al hunne verwanten door een langwerpigen vossekop met matig groote oogen en middelmatig lange, dikwijls ruig behaarde ooren; hunne goed gevormde ledematen komen nagenoeg in lengte overeen, en eindigen in handen, die aan de bovenzijde niet met een vacht bedekt, maar zwak behaard zijn; de lengte van den staart bedraagt meer dan de helft van die van ’t lichaam, dat met een zeer zachte en fijne, bij uitzondering ook wel wollige vacht bekleed is.

Men heeft in deze groep vele soorten onderscheiden; latere onderzoekingen hebben echter geleerd, dat vele van deze onderscheidingen op verschil van sekse berusten, of niet belangrijk genoeg zijn om de vorming van nieuwe soorten te wettigen. Een der meest bekende Maki’s is de {{sp| (Lemur varius), gekenmerkt door een met groote vlekken geteekende, deels zwarte, deels witte vacht; bijna bij ieder exemplaar komt een andere kleurenverdeeling voor; bij het eene heeft de zwarte, bij het andere de witte kleur de overhand.

De Vari, een van de grootste Maki’s, komt in grootte ongeveer gelijk aan een flink uitgegroeide Kat; zijne overige verwanten staan trouwens weinig bij hem achter. De Catta (L. catta) onderscheidt zich door de sierlijkheid van zijn gestalte en door den langen, met zwarte en witte ringen geteekenden staart; de hoofdkleur van zijn dichte, fijne, zachte en wollige vacht is grijs, nu eens zweemend naar aschgrauw, dan weer naar roestrood; het aangezicht, de ooren en de onderdeelen zijn witachtig; een vlek onder het oog en het bovenste gedeelte van den snuit zijn zwart. Andere soorten, die dikwijls in diergaarden aangetroffen worden, zijn de Mongoz (L. mongoz) en de Moor-maki (L. macaco). Opmerkelijk is het, dat bij den laatstgenoemden vorm het mannetje bijna zuiver zwart, het wijfje echter, dat een tijd lang voor een andere soort gehouden werd, lichter of donkerder roestkleurig is.

Aan de uitstekende onderzoekingen van den Nederlandschen onderzoeker Pollen danken wij onze bekendheid met de levenswijze van de Maki’s in vrijen toestand. Alle soorten van dit geslacht bewonen de bosschen van Madagaskar en van de naburige eilanden. Over dag houden zij zich in het dichtste takkenlabyrinth van de bosschen schuil, des nachts gaan zij onder vlugge bewegingen en luid geschreeuw hun voedsel zoeken. Deze dieren leven, tot troepen van 6 à 12 individuën vereenigd, in de ongerepte wouden van het groote eiland; zij voeden zich vooral met de vruchten van de wilde dadelboomen en begeven zich daartoe van het eene deel van het woud naar het andere. Men ziet ze zoowel over dag als des nachts. Nauwelijks is de zon ondergegaan, of men verneemt hun klagend geschreeuw; gewoonlijk jammeren alle leden van den troep te gelijker tijd. Hunne bewegingen zijn, evenals die van hunne verwanten, buitengewoon sierlijk, behendig en vlug: als zij maar eerst wakker geworden zijn, vliegen zij als ’t ware door de kronen der boomen heen, en doen daarbij sprongen van buitengewone wijdte, om van den eenen tak op den anderen te komen. Als zij door de Honden vervolgd worden, vluchten zij naar de hoogste toppen der boomen, en kijken knorrend en met den staart zwaaiend naar den vijand; zoodra zij echter den jager in ’t oog krijgen, vluchten zij ijlings naar het dichtst van het woud.

De geestvermogens van de Maki’s verheffen hen niet boven hunne verwanten; toch brengen zij een aangenamen indruk teweeg. Gewoonlijk zijn zij zachtaardig en vreedzaam; soms treft men er echter koppige, wilde en bijtlustige individuën onder aan.