Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/132

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

of achterste vingers, die den bovenarm in lengte overtreffen. Hierdoor worden de op baleinen van een parapluie gelijkende vingers tot het uitspannen van de hen vereenigde vlieghuid zeer geschikt, maar tevens voor andere dienstverrichtingen onbruikbaar. Alleen de duim, die aan de vorming van den voor ’t vliegen dienenden waaier geen deel neemt, gelijkt nog eenigszins op de vingers der overige Zoogdieren: als gewoonlijk is hij tweeledig en kort; hij is met een scherpen klauw voorzien, die bij het klimmen en zich vasthouden de geheele hand vervangen moet. Het dijbeen is veel korter en zwakker dan het opperarmbeen; alle beenderen van de als pooten ontwikkelde achterste ledematen zijn trouwens in ’t oogloopend zwakker dan die van de voorste. Deze pooten wijken niet veel van den algemeenen regel af; ook hier heeft de voet vijf teenen, en is iedere teen met een klauw voorzien. Toch heeft ook de voet iets eigenaardigs: van den hiel gaat n.l. een slechts bij de Vleermuizen voorkomend been — het spoorbeen — uit; het dient voor het spannen van de vlieghuid tusschen de pooten en den staart. Door den bouw van haar geraamte herinneren de Vleermuizen niet zoo zeer aan de Vogels, als aan de voorwereldlijke Vliegende Hagedissen. Van de spieren verdienen de buitengewoon krachtige borstspieren een afzonderlijke vermelding, en bovendien een bij de overige Zoogdieren in ’t geheel niet voorkomende spier, die, aan den schedel ontspringend, met zijn andere uiteinde aan de hand verbonden is, en de vlieghuid helpt spannen. Het gebit gelijkt op dat van Insecteneters; het bevat alle drie soorten van tanden in reeksen, die geen [69] tusschenruimten overlaten; het aantal en de vorm der tanden zijn echter bij de verschillende soorten van Vleermuizen zeer ongelijk.

De merkwaardigste eigenschap van deze dieren is ongetwijfeld de vreemdsoortige uitbreiding van de huid, die niet alleen de gedaante van het geheele lichaam, maar ook de uitdrukking van het gelaat bepaalt, en aanleiding geeft tot het werkelijk monsterachtig voorkomen van vele Vleermuis-aangezichten. De met een breede mondspleet voorziene snuit draagt ook wel iets bij tot de zeer eigenaardige physionomie van deze dieren; het zijn echter de huidwoekeringen aan de ooren en aan den neus, die aan het gelaat zijn eigenaardig voorkomen en (volgens het oordeel van de meeste menschen althans) zijn leelijkheid verschaffen.

“Geen enkele diergroep,” zegt Blasius, “kan op zulk een ontwikkeling van het huidsysteem bogen, als zich in den vorm van de ooren, van den neus en van de vlieghuid der Vleermuizen openbaart. De ooren, die bij alle soorten merkwaardig groot zijn, bereiken bij eenige nagenoeg de lengte van het lichaam; in enkele gevallen breiden zij zich ook in de breedte uit, totdat zij op de kruin elkander raken en hier aaneengroeien. Bij sommige soorten is ook de huid rondom de neusgaten en van den rug van den neus tot vreemdsoortige aanhangsels uitgegroeid. Hierdoor ontstaan aangezichtsvormen zoo zonderling, als bij geen andere dieren voorkomen. Deze eigenaardigheden, die in nauw verband staan met de wijze van beweging en de levenswijze, brengen een in ’t oog loopend verschil teweeg tusschen de Orde der Handvleugeligen en de overige Zoogdieren-orden.”

Door haar samenstelling is de vlieghuid uitnemend geschikt voor haar hoofdverrichting. Zij bevat een zeer rekbare en veerkrachtige huidlaag; de lagen, die aan hare oppervlakte gelegen zijn, worden zacht gehouden door inwrijving met een olieachtig vocht, afkomstig uit klieren, die zich aan het aangezicht bevinden. Zeer merkwaardig is ook de bouw van de haren der Vleermuizen. De microscoop leert, dat zij zich van de haren der andere dieren onderscheiden door het opgericht zijn van de gewoonlijk aanliggende schubben, die het zoogenaamde opperhuidje van het haar vormen. Hierdoor ontstaan op het haar schroefvormige windingen, waardoor het als ’t ware in leden verdeeld is. Altum telde aan een haar van den rug van de Dwerg-Vledermuis 926 zulke leden. Dat een uit zulke haren samengestelde vacht uitstekend in staat is om het dier tegen afkoeling te beschutten, en het daardoor beter geschikt maakt om ’s nacht rond te vliegen, ligt voor de hand.

Sommige zintuigen zijn bij de Vleermuizen uitstekend, andere veel minder goed ontwikkeld. Het minst volkomen is waarschijnlijk de smaakzin; dat hij echter niet ontbreekt, zou men reeds dadelijk kunnen afleiden uit het maaksel van de tong, de zachtheid van den lippen en de buitengewoon talrijke zenuwen in deze lichaamsdeelen. Het bestaan van den smaakzin is trouwens proefondervindelijk gebleken uit waarnemingen bij Vleermuizen, die in den winterslaap verkeerden en dus half bewusteloos waren. Giet men zulk een dier een druppel water in den met geweld geopenden bek, dan slikken zij dezen door zonder bezwaar te maken. Brandewijn, inkt of dergelijke wansmakelijke vloeistoffen worden daarentegen standvastig uitgespuwd.

Het oog is klein in verhouding tot den lichaamsomvang, maar bezit een pupil, die zich sterk verwijden kan. Sommige soorten hebben buitengewoon kleine oogen; deze zijn, zooals Carl Koch doet opmerken bij eenige zoo zeer verborgen te midden van de dichte beharing