Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/135

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Iedere soort heeft haar eigen jachtgebied in bosschen, boomgaarden, lanen en straten, boven langzaam stroomend of stilstaand water enz., minder dikwijls in het vrije veld, om de zeer eenvoudige reden, dat hier niets voor hen te jagen valt. In de aan Insecten rijkere, zuidelijke landen komen zij ook daar voor, vooral boven de maïs- en rijstvelden, omdat deze steeds aan een menigte Insecten tot woonplaats dienen, en aan de Vleermuizen dus een goeden buit leveren. Gewoonlijk zweven zij slechts over een klein gebied van misschien 1000 schreden middellijn. De grootere soorten hebben een uitgestrekter jachtveld, welks afmetingen wel een half uur gaans bedragen; van de grootste, in tropische gewesten levende Vleermuizen, de Vliegende Honden (p. 97), weet men evenwel, dat zij verscheidene mijlen ver kunnen vliegen zonder rust te nemen; daar zij achtereenvolgens verscheidene eilanden bezoeken, welker kusten mijlen ver van elkander verwijderd zijn.

Over dag blijven alle Vleermuizen verborgen in de meest verschillende schuilhoeken. Hier te lande zijn holle boomen en onbewoonde gebouwen of gedeelten van huizen (zeer zelden holen of rotsspleten) hare gewone slaapplaatsen. In de keerkringslanden gaan vele soorten eenvoudig aan boomtakken hangen, indien deze een dicht dak vormen. Een enkele maal komt dit ook wel hier te lande voor. Verreweg de meeste Vleermuizen echter verschuilen zich op meer verborgen plaatsen, eenige soorten kiezen hiervoor holten onder de schors of in het hout van boomen, andere de ruimten tusschen de pannen en de daaronder liggende dakbekleeding; de meeste echter zoeken hun toevlucht in door de natuur gevormde holen van rotsen, in gaten van muren, onder gewelven van bouwvallige of weinig bezochte gebouwen, in diepe bronnen, mijnputten, mijngangen en dergelijke plaatsen.

De Vleermuizen zijn gezellig, doch slechts in bepaalde omstandigheden. Sommige soorten haten elkander en vreten elkander op, als de gelegenheid hiervoor zich voordoet. De bloedzuigende Bladneuzen b.v. vallen de grootoorige Vleermuizen gedurende den slaap aan om hun bloed uit te zuigen, en deze wreken zich door hare vijanden op te eten (p. 108).

De Vleermuizen voeden zich met vruchten, Insecten, soms ook met kleine Gewervelde Dieren en met het bloed, dat zij grootere Gewervelde Dieren afzuigen. Verreweg de meeste in Europa wonende Handvleugeligen — n.l. die welke tot de Gladneuzige Vleermuizen (p. 94) behooren — eten alleen Insecten, vooral Nachtvlinders, Kevers, Vliegen en Muggen. Haar eetlust is verbazend groot, de grootste soorten kunnen best een dozijn Meikevers op, de kleinste een handvol Vliegen, zonder verzadigd te zijn. Hoe vlugger zij zich bewegen, des te meer voedsel hebben zij noodig; om deze reden zijn zij voor ons buitengewoon nuttig, en verdienen zij zooveel mogelijk gespaard te worden. Anders is het gesteld met de Bloedzuigende Vleermuizen (p. 105), die soms veel schade kunnen aanrichten, en met de Vruchteneters van deze orde (p. 96), die niet zelden geheele aanplantingen van vruchtboomen, vooral wijngaarden, vernielen.

Een opmerkelijk feit, dat door Heuglin werd opgemerkt, is, dat de Afrikaansche Vleermuizen om voedsel te verkrijgen de kudden volgen. “In de Bogos-landen”, zegt deze onderzoeker, “wordt zeer veel vee gefokt, en de kudden blijven, als afgelegen landstreken betere weiden en meer drinkwater opleveren, soms maanden lang verwijderd van de woningen der eigenaars. Bij onze aankomst in Keren waren alle runderkudden met de myriaden van Vliegen, die hen overal heen vergezellen in de laagvlakten van den Barka; zeer zelden zagen wij destijds Vleermuizen. Tegen het einde van den regentijd kwamen in een tijdsverloop van ongeveer een maand alle kudden van de hier wonende Bogos in de onmiddellijke nabijheid van de plaats terug; tegelijkertijd verschenen de insectenetende Schemering- en Nacht-Vleermuizen in waarlijk ongeloofelijk aantal; toen de laatste kudde vertrokken was, waren ook zij spoorloos verdwenen. In den nacht van 30 September tot 1 October hadden wij ons kamp opgeslagen op een hoogvlakte, die 3 uur gaans ten zuiden van Keren gelegen is, in de nabijheid van omtuiningen, die voor het bergen van rundvee bestemd waren. Daar de kudden zich in andere gedeelten van het gebergte bevonden, zagen wij slechts 1 of 2 Vleermuizen op deze voor haar zoo uiterst gunstig gelegen plaats. Den daarop volgenden dag keerden de kudden naar de genoemde plaats terug, en reeds denzelfden avond had het aantal Vleermuizen een in ’t oogloopende vermeerdering ondergaan”.

Ik acht het in ’t geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat het trekken, hoewel dit op beperktere wijze geschiedt dan bij de Vogels, bij de Vleermuizen veel meer voorkomt, dan gewoonlijk wordt aangenomen.

Voor alle Vleermuizen is warmte een noodzakelijke levensvoorwaarde, niet alleen, omdat door haar de Insecten herleven, maar ook, omdat de bedoelde insecteneters zelf van koude een afkeer hebben. Het veelvuldig voorkomen van Handvleugeligen op lagere breedtegraden hangt voorzeker samen met den grooteren rijkdom aan Insecten van deze gewesten, maar bovendien schijnt de hier heerschende warmte de ontwikkeling van de Vleermuizen in hooge mate te