Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/138

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

terpooten vasthouden, zijn de romp en de kop door de vlieghuid omhuld. Ook verschuilen zij zich wel in holle boomen: soms vindt men verscheidene honderden individuën in één boom bijeen. In donkere, ongerepte wouden vliegen zij ook wel over dag rond; in den regel echter beginnen zij, evenals de overige Handvleugeligen, in de schemering eerst recht te leven. Hun scherp gezicht en fijn ontwikkelde reuk stellen hen in staat de boomen te vinden, die sappige, rijpe vruchten dragen; een voor een vliegen zij naar die boomen, waarop zij zich weldra weer tot groote troepen vereenigen om ze in korten tijd geheel kaal te vreten. Ook in de wijnbergen komen zij niet zelden in grooten getale en richten er groote schade aan; zij nemen alleen de rijpste en zoetste vruchten; de overige laten zij achter voor andere vruchteneters. De vruchten worden door hen veel eer uitgezogen, dan opgegeten; het vezelig gedeelte van de vrucht wordt uitgespuwd. Daar zij aan de zoetste en geurigste vruchten de voorkeur geven, maken bananen, vijgen en druiven hun liefste voedsel uit. In den boomgaard waar zij eens zijn neergestreken, laten zij niet veel over; zij eten den geheelen nacht door, en maken daarbij een gedruisch, dat op grooten afstand hoorbaar is. Door schoten en dergelijke verschrikkingsmiddelen laten zij zich niet verdrijven; zij die op deze wijze opgejaagd zijn, vliegen hoogstens van den eenen boom naar een anderen, en zetten daar hun maal voort.

Soms ondernemen zij verre tochten, en vliegen van het eene eiland naar het andere, al zijn deze door breede zeearmen gescheiden.

Zij schreeuwen veel, ook wanneer zij rustig aan de boomen hangen; zij maken dan een eigenaardig knarsend en krijschend geluid, ook blazen zij soms als Ganzen.

Het wijfje brengt éénmaal per jaar 1 of 2 jongen ter wereld, die zich aan de tepels vasthouden, om door de moeder, die hun zeer veel liefde toont, meegedragen te worden.

In de gevangenschap worden zij mettertijd tam, gewennen zich aan de personen, die hen verzorgen en betoonen hun zelfs een zekere maten van gehechtheid.

Het nut, dat deze dieren aanbrengen, kan niet opwegen tegen de door hen teweeg gebrachte schade, die echter in hun vruchtenrijk vaderland niet veel gewicht in de schaal legt. Hunne nuttige eigenschappen beteekenen trouwens ook niet veel, daar zij zich bepalen tot de eetbaarheid van hun vleesch, dat, naar Haacke zegt, wat den smaak betreft, op dat van Konijnen of Hoenderen gelijkt, en tot de bruikbaarheid van hun vel.


De grootste van alle bekende soorten, de Kalong of Vliegende Hond (Pteropus edulis, p. 97), heeft bij een lichaamslengte van 40 cM. een vlucht van ongeveer 1.5 M. De kleur van den rug is donker zwart, die van den buik roestkleurig zwart; de hals en de kop zijn roestkleurig geelrood, de vlieghuid is bruinachtig zwart.

De Kalong is inheemsch op de Oost-Indische eilanden, vooral op Java, Sumatra, Banda en Timor; hij leeft hetzij in groote wouden, òf in de vruchtboomboschjes die alle dorpen van Java omgeven; hier kiest hij bij voorkeur de horizontale takken als rustplaats uit; deze zijn soms zoo dicht met Kalongs bedekt, dat men den tak zelf nauwelijks meer zien kon. Op enkele boomen vindt men er honderden en duizenden, die hier zoolang zij met vrede gelaten worden, hun dagslaap houden, doch bij troepen in de lucht rondzweven, zoodra men hun rust stoort. Tegen den avond zet zich de geheele massa in beweging en ieder hunner vliegt op eenigen afstand achter zijn voorganger aan.

Over Sumatra schrijvend, zegt Rosenberg: “De Kalong is een der veelvuldigst voorkomende dieren, zoowel aan de kust als in het binnenland. Hij leeft gezellig, dikwijls groote troepen vormend, en verlaat met zonsondergang zijn rustplaats om zich naar zijn voederingsplaats te begeven, die soms ver weg in het woud gelegen is. Zoo trok gedurende mijn verblijf te Loemoet iederen avond een vlucht Kalongs vrij hoog over de kleine vesting heen, in de richting van zuidwest naar noordoost, om voor zonsopgang in tegenovergestelde richting terug te keeren naar het eiland Masallar, waar hun rustplaats was. Eens, toen ik een schot loste op een wijfje, dat bij uitzondering vrij laag vloog, viel een aan de tepels hangend jong uit de lucht naar beneden, doch voordat het den bodem bereikte, had de moeder, die het kleintje bliksemsnel gevolgd was, het met de tanden gegrepen; zij steeg met het geredde jong weer omhoog en vloog verder.”

Hun voedsel bestaat uit zeer verschillende soorten van vruchten, vooral uit allerlei soorten van vijgen en uit mango’s; om deze te verkrijgen overvallen zij soms in groote menigte de boomgaarden op Java en richten daar dikwijls aanzienlijke schade aan. Zij zijn echter volstrekt niet met plantaardig voedsel alleen tevreden, maar maken ook jacht op verschillende Insecten en zelfs op kleine Gewervelde Dieren. Zoo heeft Shortt ze eenige jaren geleden tot zijn verrassing als vischdieven leeren kennen. “Toen ik,” zeide hij, “mij te Konlieveram ophield, werd mijn aandacht getrokken door een vijver, die haar ontstaan te