Naar inhoud springen

Pagina:Brehm, Het Leven der Dieren (vert. Huizinga 1920).pdf/145

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

in bepaalde omstandigheden; hierdoor komt het, dat er zooveel verschil bestaat tusschen de berichten, waarin melding gemaakt wordt van hun handelwijze, die trouwens niet gemakkelijk kan worden nagegaan. Het zal het beste zijn, hier enige mededeelingen van reizigers over het bloedzuigen van de Bladneuzen te laten volgen. Hierbij moet er op bedacht zijn, dat de meeste reizigers geen voldoende redenen hadden om deze in ’t duister verrichte daden aan een bepaalde soort toe te schrijven. Hunne mededeelingen hierover zijn in vele opzichten met elkander in tegenspraak, en onder alle, die mij bekend zijn, is er geen enkele, die een door onomstootelijke bewijsgronden gestaafde beschuldiging tegen een bepaalde soort van uitheemsche Bladneuzen bevat.

Dwarsoor (Synotus barbastellus). Ware grootte.


De Spanjaard Azaba, die de Bloedzuigende Vleermuizen “Mordedor” noemt, hetwelk “Bijters” beteekent, bericht o.a. het volgende: “Soms bijten zij in den kam en de lellen van slapende Hoenderen om hen het bloed uit te zuigen; gewoonlijk sterven de Hoenderen hieraan, vooral als de wonden ontstoken geraken, wat bijna altijd geschiedt. Met hetzelfde doel bijten zij de Paarden, muildieren en koeien — altijd in de zijden, de schoften en den hals, waar zij zich gemakkelijk vasthouden kunnen. Hetzelfde doen zij met de menschen, zooals ik getuigen kan, daar ik zelf viermaal in de teenen werd gebeten, terwijl ik onder den vrijen hemel of onder een afdak sliep. De wonde, die zij mij toebrachten, zonder dat ik het voelde, was rond of langwerpig rond en had een middellijn van 2½ mM., maar zulk een geringe diepte, dat zij nauwelijks door de geheele huid heendrong. Zij was kenbaar aan de gezwollen randen. Volgens mijn schatting bedroeg de hoeveelheid bloed, die na den beet uit de wonde vloeide, ongeveer 2½ ons” (70 gram); “bij Paarden en andere dieren kan deze hoeveelheid omstreeks 3 ons” (85 gram) “bedragen; ik geloof, dat zij hun, wegens hun dikker vel, grootere en diepere wonden toebrengen.”

Rengger voegt aan deze mededeelingen van Azaba het volgende toe: “Ik heb wel honderdmaal de wonden van muilezels, Paarden en Runderen onderzocht, zonder tot zeker-